Nederland: een ton in dollars

De benoeming van de zakenman Donald Alexander uit Kansas tot Amerikaans ambassadeur in Nederland is uitgesteld. De Senaatscommissie voor Buitenlandse Zaken is, volgens de correspondent van NRC Handelsblad in Washington, verstoord over de benoemingen van onervaren mensen op diplomatieke posten. De voornaamste verdienste van de heer Alexander was namelijk dat hij de kas van George Bush' verkiezingscampagne heeft gespekt met een donatie van honderdduizend dollar.

Verstoord? Wat krijgen we nou? Toen Andrew Jackson, de zevende president van de Verenigde Staten (1829-1837), met zulke etepeteterige klachten te maken kreeg over zijn benoemingen, riep hij uit met de eenvoud die hem sierde: “To the victor belong the spoils”. Geconfronteerd met deze oeroude waarheid verstomde de oppositie in afwachting van het moment dat zij zelf een keer de verkiezingen zou winnen. Elke machtswisseling vanaf die tijd brengt dan ook een stuivertje wisselen van banen mee, waaronder diplomatieke. Sinds mensenheugenis worden vrijwel alle ambassadeursposten in West-Europa en het Caraïbisch gebied door presidentskandidaten verloot of geveild onder de meestbetalende donateurs aan de verkiezingscampagne.

In 1989, toen Bush na zijn overwinning tot de gebruikelijke verdeling van de buit overging, gaf dit opnieuw een aantal kniesoren uit de Democratische partij gelegenheid tot gezanik. Zij vonden het bijvoorbeeld niet goed dat Joy A. Silverman zich ambassadeur mocht noemen. Mevrouw Silverman, zeurden ze, ontbeerde niet alleen diplomatieke ervaring, ze had ook nooit een baan gehad en zelfs haar studie niet afgemaakt.

De kritikasters werden van repliek gediend door de minister van handel, Robert A. Mosbacher, die zelf zijn ministerspost te danken had aan zijn functie als fundraiser voor Bush. De benoeming van mevrouw Silverman, legde hij uit in juli 1989, was slechts “part of the routine spoils system”, en daarin had hij gelijk. Mevrouw Silverman moest haar gebrek aan kwalificaties trouwens duur betalen, door driehonderdduizend dollar te dokken voor het ambassadeurschap van de koraaluitstulping Barbados. De benoeming zou nooit in de kranten gekomen zijn, ware het niet dat mevrouw Silverman, uit onwennigheid met protocollair gebruik, een voorbezichtiging pleegde van Barbados, waarna ze het ministerie van buitenlandse zaken liet weten dat de ambassadeurswoning die ze daar aantrof te klein was en te ver van het strand.

Het enige waar je je bij de benoeming van de heer Alexander aan zou kunnen storen is de prijs. Hij was een van de 249 leden van het “Team 100” die zich in 1988 voor een klinkende benoeming kwalificeerden door honderdduizend dollar of meer te storten in de partijkas van de Republikeinen. (Acht van hen, voor alle zekerheid, gaven hetzelfde bedrag aan de Democraten). Toch lijkt een ton in dollars niet veel voor de achtste economische mogendheid van de wereld, met ook nog zulke schattige blanke inwoners en zo dicht bij Londen en Parijs. Moest Joseph Gildenhorn niet tweehonderdduizend dollar betalen voor Zwitserland? Ook Joseph Zappala en Melvin Sembler, projectontwikkelaars uit Florida, moesten boven de honderdduizend nog eens een extra premie storten voor respectievelijk Spanje en Australië. Voor het staatje Bahrein, met een kleinere bevolking dan de stad Utrecht, telde Charles Hostler uit San Diego negentigduizend dollar neer. Hoe komt Alexander aan Nederland voor een luttele ton?

Wij hoeven ons niet te gauw beledigd te voelen. Kijk maar naar de kalender en de krantekoppen. Mocht Ross Perot de nieuwe president worden in januari 1993, dan zal Donald Alexander gauw terug moeten naar Kansas. Het is zelfs de vraag of hij lang zal mogen aanblijven bij een overwinning van Bush. Op 10 mei jl. liet de Washington Post weten dat de inzet voor de loterij op de spoils van de aanstaande verkiezing bij de Republikeinen verdubbeld is tot tweehonderdduizend dollar.

Minimaal. Want in Washington klinkt nog de echo door van de jammerklacht van Ruth Farkas die in de jaren vijftig, toen je met 35 dollar een ons goud kon kopen, tegen Richard Nixon zei: “Isn't $ 250,000 an awful lot of money for Costa Rica?”