Grotere rol voor faculteiten nog weinig concreet

ROTTERDAM, 10 JUNI. Ruim drie jaar geleden werden de universiteiten en de toenmalige minister van onderwijs Deetman het er al gemakkelijk over eens: als er iets in de universitaire bestuursorganisatie zou moeten veranderen dan was dat de positie en het bestuur van de faculteiten.

Deetman beloofde de wet snel zo te wijzigen dat faculteiten niet langer last zouden hebben van de gescheiden verantwoordelijkheid voor het bestuur en het beheer. Het faculteitsbestuur, in feite de decaan, zou ook de beheerder kunnen worden van de faculteit. Dat zou een sterk en integraal management aanzienlijk vergemakkelijken, maar vooral ook de faculteiten een grotere autonomie opleveren.

Eind vorige week publiceerde minister Ritzen (onderwijs) een notitie over het bestuur van universiteiten en hogescholen. Daarin kondigt hij onder meer aan de positie van de faculteiten te zullen versterken, faculteitsraden eventueel een andere rol te zullen geven en de universiteiten en hogescholen binnen zekere grenzen vrij te laten om zelf hun bestuurlijke organisatie te regelen.

De verandering van de nieuwe wet op het Hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) die Deetman indertijd had beloofd verdween door de kabinetscrisis in 1989 in de bureaulade. Een nieuw kabinet, twee besloten bestuursconferenties en een adviescommissie later is nu ook minister Ritzen er van overtuigd dat aan de positie van de faculteit en van het faculteitsbestuur gesleuteld moet worden. Althans: Ritzen noemt versterking van de kwaliteit van het bestuur op facultair niveau de derde hoofdlijn in zijn notitie. Een concreet voorstel voor wetswijziging levert hij er niet bij: hij overweegt enkel de wet zo aan te passen dat bestuur en beheer binnen de faculteit in één hand kunnen komen.

In de notitie vormen de faculteiten de kern. Daarmee is Ritzen zelf al een stap verder dan begin 1991. In zijn reactie op het verslag van de conferenties die aan het bestuur van de universiteiten en hogescholen waren gewijd, besteedde de minister toen daar vrijwel geen aandacht aan. Nu zet ook hij de faculteiten in het middelpunt. Daar vindt immers besluitvorming plaats over het onderwijs en onderzoek, zo schrijft de minister. Integraal management als middel tot sterker bestuur, waar anders dan nu ook de verantwoordelijkheden helder zijn, moet leiden tot een klimaat waarin goed onderwijs en onderzoek goed kunnen gedijen. Ook kan naar verwachting zo beter worden "ingespeeld' op de veranderende omgeving waarin de instellingen moeten opereren.

Ritzen wil ook dat de hogescholen hun organisatie in faculteiten opdelen. Veel hogescholen kennen inmiddels al faculteiten, zeker de grotere. Maar, schrijft de minister ook, als ze het niet willen hoeven ze niet.

Deze opstelling kenmerkt de notitie. Aan de ene kant herhaalt de minister dat hij universiteiten en hogescholen een grote vrijheid wil geven als het gaat om het inrichten van hun bestuurlijke organisatie - inclusief de zeggenschap van personeel en studenten. Maar daar staat tegenover dat hij op tal van terreinen die vrijheid wil inperken.

Ritzen schrijft bijvoorbeeld dat de invloed van studenten op het bestuur van universiteiten en hogescholen groter moet worden, zowel op het centrale als op het decentraal niveau - al geeft hij niet aan hoe dat zou moeten gebeuren of hoe dat kan worden getoetst.

Ook moet faculteitsbestuur of -raad alle leden van de studierichtingscommissies gaan benoemen. Van dat laatste verwacht de minister dat de commissies beter zullen gaan werken (zeker als de studenten voor dat werk worden geschoold). Dit is overigens de enige keer in de notitie dat Ritzen heel concreet is. Onduidelijk blijft waarom voor verbetering van het universitaire onderwijs studierichtingscommissies, met daarin een zwaarwegende stem van studenten, nodig zijn. De minister meent dat aan hogescholen daarvoor kan worden volstaan met enige invloed van de studenten op facultair niveau.

De grotere vrijheid wil Ritzen voor de universiteiten realiseren door ze niet aan alle artikelen in de wet over de bestuursstructuur te binden. Een beperkt aantal mogen de universiteiten "vergeten' en op eigen wijze vormgeven. Wel moeten ze daarvoor een "charter' opstellen, een soort bestuursreglement waarin ze hun structuur beschrijven en dat door de minister moet worden goedgekeurd.

Het vertrouwen in het vermogen van de instellingen om zelfstandig een verantwoorde bestuursvorm te kiezen, is gezien het verleden terecht maar beperkt. Opvallend is dat de minister daarbij niet spreekt over het soort bestuurders dat nodig is voor meer zelfstandige universiteiten en hogescholen: die zullen toch uit ander hout moeten zijn gesneden dan de "ambtenaar' die op dit moment vrijwel alle colleges van bestuur en directies bemant.