Bedrijfsuniform beknelt personeel niet langer

Bedrijfsuniformen werden ooit verkocht op wasbaarheid en duurzaamheid. Dat lichaamsdelen of individualiteit bekneld raakten, telde minder. Nu uniformdragers stem en persoonlijkheid hebben gekregen bij de fabrikanten, neemt de afzet van bedrijfskleding toe. De baliemedewerker vraagt er zelf om.

Japan is voorloper en voorbeeld. In dit land waar kinderen in uniform naar school gaan, is bedrijfskleding heel gewoon. Sommige ondernemingen hullen iedereen - van baas tot jongste bediende - in hetzelfde pak. Goed voor het saamhorigheidsgevoel en het imago van de onderneming, zo luidt de filosofie erachter.

Niet bekend

In verreweg de meeste ondernemingen dragen de werknemers bedrijfskleding om hygiënische of veiligheidsredenen. In slechts drie procent van de organisaties heeft ze een louter representatieve functie. Juist in deze corporate identity-kleding, ofwel imagokleding, verwachten fabrikanten de komende jaren flink uit te breiden. Op jacht naar deze groeimarkt tonen ze hun collecties op Nederlands eerste bedrijfskledingbeurs, Job Fashion '92, die vandaag in de Amsterdamse RAI begonnen is.

De PTT, 's lands grootste particuliere onderneming, is momenteel druk bezig zijn personeel in "corporate' kleding' te steken die correspondeert met de nieuwe huisstijl. Sinds de privatisering, enkele jaren terug, is de behoefte van de diverse PTT-afdelingen om zich te profileren sterk toegenomen. Verantwoordelijk voor de PTT-kleding is prof. R.D.E. Oxenaar, ook bekend als ontwerper van postzegels en bankbiljetten.

Voor de kleding van het baliepersoneel van PTT Post trok Oxenaar de in Parijs gevestigde Nederlander Clemens Rameckers aan, een van de weinige ervaren ontwerpers van beroepskleding. Rameckers ontwierp acht jaar geleden uniformen voor de conducteurs en conductrices van de Nederlandse Spoorwegen en deed dit daarna ook voor personeel van de Stopera, de Rotterdamse musea en de Wegenwacht.

In die acht jaar is de houding van "dragers' ten opzichte van uniformen danig veranderd, weet Rameckers. “Toen ik begon, was er nogal wat weerstand. Mensen hadden weinig zin om in een uniform te lopen. Nu hebben ze daar geen enkel probleem meer mee. Het is zelfs zo dat ze nu liever een wat formeel pak dragen dan iets sportiefs.”

Die verandering schrijft de ontwerper toe aan de verbetering van kwaliteit en vormgeving van de kleding en aan het feit dat de uniforme kleding tegenwoordig voldoende keuze- en variatiemogelijkheden biedt om “de behoefte aan persoonlijke expressie” te bevredigen. Zo bedacht Rameckers voor de PTT'ers op de postkantoren een collectie jasjes, broeken, rokken, blouses, vesten en truien, waaruit ze zelf een garderobe kunnen samenstellen. De kledingstukken vertonen overeenkomst in belijning en kleur, zodat de dragers ondanks de individuele combinaties toch voor het publiek herkenbaar zijn als PTT-medewerkers. De kleding is uitgevoerd in marineblauw, rood en geel, de kleuren van de nieuwe inrichting van de postkantoren. De herinrichting van de kantoren en de invoering van nieuwe uniformen gaan gelijk op.

Een andere verklaring voor de opmars van uniforme kleding is dat personeel zich er tegenwoordig van bewust is dat het "als visitekaartje' kan bijdragen aan het succes van de onderneming. Het initiatief bij de NMB Bank om bedrijfskleding voor baliemedewerkers in te voeren was bij voorbeeld van hen zelf afkomstig. De NMB is daarmee overigens de eerste bank in Nederland die haar baliepersoneel, in totaal 2100 mensen, in een voor de bank ontworpen pak steekt. Een eerder initiatief van de AMRO Bank werd doorkruist door de fusie met de ABN.

Net als bij de PTT is er bij de NMB een relatie tussen invoering van bedrijfskleding en verbouwing van de kantoren. Ook de bank beschouwt de bedrijfskleding als onderdeel van het corporate image. Het baliepersoneel van het al verbouwde kantoor in Lisse beproeft op dit moment de door Sophie van Kleef ontworpen uniformen. Op 9 september, de dag waarop de naam van de NMB verandert in Internationale Nederlanden Bank, is het D-day. Dan krijgt het personeel in alle 440 kantoren voor het eerst het bankpak aan.

Pag 18: "Kleding voor het personeel blijkt een effectief instrument voor public relations'; Dure ontwerper haalt drager van uniform uit anonimiteit

Bedrijven en werknemers stellen steeds hogere eisen aan bedrijfskleding. Ondernemingen ontdekken in toenemende mate de representatieve en communicatieve mogelijkheden van kleding, terwijl werknemers geen genoegen meer nemen met weinig flatteuze en ongemakkelijke zittende werkkleding.

Voor Nederlands grootste beroeps- en bedrijfskledingfabrikant, Ehco-KLM in Haaksbergen, was dat reden een samenwerkingsverband aan te gaan met couturier Frans Molenaar. Hij ontwerpt kleding voor alle mogelijke beroepen, meestal in de huisstijl van de afnemers. Zijn meest recente ontwerpen zijn jasjes, jasschorten en sweatshirts voor het winkelpersoneel van Albert Heijn, zijn meest spraakmakende activiteit is de collectie kleding voor verplegend personeel, die hij in 1988 ontwikkelde. Door deze kleding, sinds 1989 gedragen in de televisieserie Medisch Centrum West, realiseerde verplegend Nederland zich dat ook verpleegkundigen aardig en functioneel gekleed kunnen gaan. En dat besef leidde tot een stroom klachten bij ziekenhuisdirecties over de vormgeving van de uniformen - te smal in de schouders en te wijd op de heupen - en over de stof die doorschijnend, stug en zweterig werd genoemd. Verscheidene ziekenhuizen in Nederland en Duitsland, waar de serie ook loopt, hebben inmiddels voor hun personeel de Medisch Centrum West-kleding aangeschaft.

Verschillende fabrikanten van "witte vakkleding' hielden er een Medisch Centrum West-syndroom aan over en vragen zich af of ze nu ook zo'n dure ontwerper moeten aantrekken “om het werkend publiek het gevoel te geven dat het uit de anonimiteit komt”, zoals directeur B.G. Hemel van de in witte vakkleding gespecialiseerde fabriek De Berkel in Borculo het formuleert.

De bedrijfskledingbranche heeft zich in het verleden meer beziggehouden met eisen van de afnemers op het gebied van wasbaarheid en duurzaamheid dan met de wensen van de dragers. Maar dat is aan het veranderen. Doordat steeds meer ondernemingen hun personeel inspraak geven bij de keuze van bedrijfskleding, zijn de producenten gedwongen meer aandacht te besteden aan de styling van kleding.

Nederland kent circa vijfentwintig bedrijfskledingproducenten. Enkele van hen maakten tot voor kort nog modekleding, maar zijn van de moeilijke modemarkt overgestapt op corporate kleding. Voorbeelden zijn japonnenfabrikant Cin Fashion in Haarlem, die sinds een jaar onder de naam Mirabel Corporate Fashion werkt en bedrijfskleding voor vrouwen maakt, en breifabriek Lagero in Roosendaal.

Lagero maakt truien, vesten en slipovers met ingebreide logo's en firmanamen. In 1986 leek het in gebreide modekleding gespecialiseerde bedrijf ten dode opgeschreven, totdat het de mogelijkheid ontdekte bedrijfslogo's in te breien. Sindsdien maakt de fabriek alleen nog bedrijfs- en promotiekleding. In 1986 had Lagero zestien medewerkers, nu zijn er 78 in dienst. De omzet neemt jaarlijks met dertig procent toe en bedraagt nu acht miljoen gulden.

Het bedrijf is sinds een jaar ook in Duitsland en Scandinavië actief. Exportmanager E. Barenholz verwacht dat corporate identity-kleding zowel in Nederland als daarbuiten een enorme vlucht zal nemen. “De snelst groeiende klantengroep in Duitsland zijn openbaar-vervoerbedrijven. Het milieu is daar een hot topic en dat heeft promotie van het openbaar vervoer tot gevolg. Kleding voor het personeel blijkt een van de effectiefste public relations-instrumenten te zijn.” aldus Barenholz.

Lagero werft zelf klanten, maar breit ook in opdracht van "pakketleveranciers', bedrijven die zelf een deel van het uniform produceren en de rest elders laten maken. De bekendste in Nederland is Kattenburg-Uniforcé in Rotterdam. Kattenburg maakt al 135 jaar uniformen en sinds twee jaar ook corporate identity-kleding. De corporate kleding heeft wat snit en maakwerk betreft veel weg van gewone modekleding, maar de stoffen zijn sterker doordat er polyester in zit. Een pak van honderd procent wol in een lichte kwaliteit is bij intensief dragen in een half jaar versleten. En dat kan niet bij bedrijfskleding, die al gauw op duizend gulden per werknemer komt.

Kattenburg-Uniforcé heeft produktiebedrijven in Rotterdam, Sommelsdijk en Zwolle en een omzet van 25 miljoen gulden. Het aandeel van corporate kleding ligt tussen drie en vier miljoen. Op dit moment wordt vijftien procent van de produktie uitbesteed aan bedrijven in het buitenland, en dat percentage zal volgens directeur R. Kattenburg de komende jaren groeien naar dertig tot veertig. Het aantal personeelsleden in Nederland, nu tweehonderd, zal daardoor teruglopen. De produktie van kleinere series en nabestellingen blijft in Nederland, maar de grote series gaan naar landen met lagere lonen. Daarmee vormt Kattenburg geen uitzondering op de rest van de Nederlandse kledingindustrie, die de afgelopen decennia een groot deel van haar produktie naar het buitenland verplaatste.

Kattenburg: “Het maken van kleding is niet zo'n kunst, dat kan overal gebeuren. We moeten onze kracht vooral in de toegevoegde waarde zoeken: in het design, het maatnemen van alle mensen voor wie we kleding maken, het individueel op naam leveren van de pakketten en in de after sales service: ruilen en veranderen. Die logistieke service hebben wij voor op modebedrijven die nu ook in corporate kleding doen.”

Het zijn trouwens niet alleen bedrijven uit de kledingbranche die zich op de markt voor bedrijfskleding hebben gestort. Als producent-zonder-produktieapparaat laat bijvoorbeeld ook PTT Post Bedrijfsservice zich gelden. Deze PTT-dochter kocht tot medio vorig jaar alleen kleding in voor eigen personeel, maar nu is het logistieke apparaat ook beschikbaar voor derden.

Eerste externe opdrachtgever was het ministerie van VROM dat uniformen wilde aanschaffen voor 600 medewerkers van de dienst kadaster. Inmiddels hebben zich ook andere bedrijven bij PTT post Bedrijfsservice gemeld die inkoop en distributie van bedrijfskleding graag uit handen geven. Mr. R.T.M. Hilgers, hoofd inkoop van PTT Post Bedrijfsservice: “Het inkopen van kleding is geen kernactiviteit van de PTT, logistieke dienstverlening wel. En juist de logistiek is voor veel bedrijven een probleem. Hoe zorg je ervoor dat het juiste kledingstuk in de juiste kleur en maat op het juiste moment bij je werknemer terecht komt? De PTT heeft 35.000 bedrijfskledingdragers in dienst en heeft daar dus een grote ervaring in. Ons kledingmagazijn verwerkt dagelijks 400 tot 500 formulieren met aanvragen voor nieuwe kledingstukken van PTT'ers uit het hele land. We zijn een soort Wehkamp in bedrijfskleding.”

Naast de corporate identity kleding is ook incentive kleding sterk in opkomst - promotiekleding met een logo of firmanaam erop. Bedrijven doen dit soort kleding cadeau aan werknemers die zich bijzonder hebben ingespannen of aan relaties. De reclamewereld heeft ontdekt dat incentive kleding niet alleen zeer wordt gewaardeerd, maar ook bijzonder effectief is. Een kistje dure wijn wordt in één avond opgedronken, maar een poloshirt of jack gaat jaren mee en herinnert de drager door het logo steeds opnieuw aan de firma van wie hij het cadeau heeft gekregen.

Vanuit die gedachte heeft Philips door de Amsterdamse kledingproducent Eurofashions een serie kleding en accessoires laten ontwikkelen onder de naam Matchline Collection. Philips-dealers die Matchline televisies en video's verkopen, krijgen daarvoor punten. Bij een bepaald aantal punten kunnen ze uit een catalogus kleding en accessoires kiezen. De accessoires zijn royaal voorzien van de naam Matchline, bij de kleding zit de naam alleen in het etiket om de dragers er niet als een reclamezuil bij te laten lopen.

Promotiekleding is een nog nauwelijks ontgonnen goudmijn voor de producenten ervan. Mooi voorbeeld is de Olympische kleding. Eurofashions kleedde in 1988 de Olympische ploeg voor Seoel aan en heeft dat ook gedaan voor Albertville. R. Niekerk van Eurofashions: “Toen we ook voor Barcelona werden gevraagd, hebben we bedongen dat we de Olympische kleding mogen merchandisen. Die kleding zal dus straks voor de consument te koop zijn. Maar dat is nog niet alles. Er zijn ook bedrijven die de Olympische kleding met hun logo erop als promotiemiddel willen gebruiken. Dat kan, zolang ze er maar geen handel mee gaan drijven. Het mes snijdt voor ons dus aan alle kanten.” DIEUWKE GRIJPMA

Foto: Breifabriek Lagero in Roosendaal maakt louter bedrijfs- en promotiekleding met ingebreide logo's. De jaarlijkse omzetgroei bedraagt 30 procent. (Foto NRC Handelsblad/Leo van Velzen)