"Arbeidspartij staat tenslotte open voor onderhandelingen'; Palestijnse leiders hopen op Rabin

JERUZALEM, 10 JUNI. Ondanks al hun reserves ten opzichte van de persoon van Arbeidspartijleider Yitzhak Rabin hopen Palestijnse leiders in de bezette gebieden toch dat de socialisten op 23 juni Likud zo overtuigend zullen verslaan dat hij een regering kan vormen. Daarom worden zij door een gevoel van machteloosheid bevangen als weer een Palestijn onder de kreet “Allah Akbar (God is groot)” in Tel Aviv, Jeruzalem of elders een jood vermoordt. “Dat zijn aan de vooravond van de Israelische verkiezingen slechte dingen”, zegt de 37-jarige Ghassan Al-Khatib, een lid van de Palestijnse onderhandelingsdelegatie in het vredesproces vlak voor een bezoek aan Nederland. “Dergelijke moorden zullen de rechtervleugel in de Israelische politiek versterken.”

Het Palestijnse leiderschap is niet bij machte aan deze moordpartijen een einde te maken. “Niemand kan de messentrekkers controleren. Uit wraak voor of frustratie over ondergane vernederingen wordt impulsief naar het mes gegrepen. Het zijn individuele beslissingen van Palestijnen die geen uitweg uit de situatie zien.”

Volgens Ghassan Al-Khatib maakt het voor de Palestijnse massa weinig uit of de Arbeidspartij danwel Likud de verkiezingen wint. Met beide grote Israelische partijen hebben de Palestijnen slechte ervaringen. “Begonnen de socialisten na de Zesdaagse oorlog soms niet met de confiscatie van land en de nederzettingenpolitiek? Wilde Rabin de intifadah niet onderdrukken door de botten van de Palestijnen te breken?”

Voor Khatib echter zijn deze gevoelens in de huidige fase van het vredesoverleg irrelevant. Hij maakt wèl onderscheid tussen de Arbeidspartij en Likud. “Likud weigert te onderhandelen over land en nederzettingen. De Arbeidspartij staat daarvoor open”, zegt hij.

Na de onderhandelingen met de Israelische delegatie en de toegenomen Israelische druk op de Palestijnen sedert het vredesproces vorig jaar in Madrid begon heeft Khatib zijn vertrouwen in de vredesintenties van Yitzhak Shamir volledig verloren. Israel had volgens hem vorig jaar, na de Golfoorlog, wegens de daardoor ontstane nieuwe internationale situatie geen andere keus dan naar Madrid te gaan.

Naast diplomatieke obstructie is volgens Khatib de Israelische “agressie tegen het Palestijnse volk” na het begin van het vredesproces zelfs toegenomen. “Meer landonteigeningen, meer uitgaansverboden, meer Palestijnse doden, meer belastingovervallen”, zegt hij. “We hebben alles gedocumenteerd.”

Khatib gelooft dat Shamir zó ongelukkkig is met het vredesproces dat hij van alles probeert om de Palestijnen uit de vredestrein te laten springen. Het opvoeren van de druk op de Palestijnse bevolking is zijns inziens onderdeel van Shamirs tactiek om verdeeldheid in de Palestijnse rangen te zaaien, tussen voor- en tegenstanders van het vredesproces. Khatib zegt dat er in de bezette gebieden nog steeds een meerderheid is voor voortzetting van de vredesbesprekingen, hoewel het uitblijven van Palestijnse successen aan de conferentietafel wel de moslim-fundamentalistische organisatie Hamas en andere Palestijnse groeperingen die van meet af aan tegen deelneming waren in de kaart speelt.

Om aan te tonen dat niet Hamas maar de PLO nog steeds de dominerende factor is in bezet gebied spreekt Khatib zich uit voor het houden van algemene verkiezingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. “We denken er zelfs over deze verkiezingen unilateraal (zonder Israelische toestemming) in oktober te houden”, zegt hij.

Het is voor hem een uitgemaakte zaak dat het vredesproces moet doorgaan en de Palestijnen het uiterste moeten doen om niet in de door Shamir uitgezette val te lopen. De Palestijnen klampen zich volgens hem juist aan het vredesproces vast ter verdediging van de Palestijnse legitimiteit in de internationale rechtsorde.

Dat is, legt Khatib uit, de reden waarom de Palestijnen er zo nadrukkelijk op uit zijn de Europese Gemeenschap in het vredesproces te betrekken. “We willen Europa er bij hebben omdat Europa aan onze kant staat”, zegt hij. Vanuit Jeruzalem en Tunis constateren de Palestijnen dat Nederland zich nog niet helemaal heeft losgemaakt van zijn historisch bepaalde pro-Israelische standpunt. Mede daarom hebben de Palestijnen besloten hun aandacht op Nederland te concentreren. Aan de omvang van de Nederlandse economische hulp aan Palestijnse organisaties in de bezette gebieden en ook aan de inhoud van de rede die minister Van den Broek uit naam van de EG bij de opening van de vredesconferentie in Madrid hield meten zij hun successen af.

“De Nederlandse rede in Madrid was erg bemoedigend voor ons (Jeruzalem was ziedend). Nederland besteedt ook heel veel geld hier (volgens NOVIB-kringen dit jaar 7 miljoen gulden in de bezette gebieden). De Nederlandse regering is in de voorste linie van de donors aan de Palestijnen.”