Tolerantie wijkt voor wantrouwen

In een studie over intolerantie schreef de kerkhistoricus L. Rogier dat in het buitenland katholieke staten protestanten om hun geloof hebben vervolgd. Dat was heus niet mis. Maar in alle staten en deelstaten of "Länder' waar thans het protestantisme overheerst, is dit een gevolg van “minderheidsterreur of oplegging van bovenaf, oplegging door dwang van harde wetten, door broodroof en poenale sanctie, tot en met de doodstraf”. Dit is gebeurd in de geprotestantiseerde staten van Duitsland, in Schotland, in enige Zwitserse kantons, in Denemarken, Zweden en Noorwegen en bovenal in Engeland.

Buitenlandse bezoekers vragen zich altijd af, hoe het Nederlandssprekende volk na de Reformatie heterogeen godsdienstig bleef en toch op den duur zijn eenheid heeft bewaard en gespaard bleef voor wat wij tegenwoordig Joegoslavische toestanden noemen. Mijn antwoord is meestal dat Nederland traditioneel bijzonder tolerant is, maar dat de sociale spanningen - vaak latent aanwezig - sinds de immigratiegolven van andere godsdiensten zijn toegenomen. Bovendien interesseren Nederlanders zich meer voor de sociale vorm van religieuze identiteit dan voor de eigenlijke geloofsinhoud. Twee vragen komen dan altijd naar voren. Waarom die toenemende buitenkerkelijkheid omstreeks het midden van deze eeuw? Zijn jullie zo sterk geseculariseerd, dat het atheïsme de overhand krijgt? En vervolgens: hoe staat het met wat zij "pillarisation' of wat deftiger "pluralisme vertical' noemen, kortom de verzuiling. Daar hebben ze meer over gehoord. Bestaat die verzuiling nog of is die helemaal voorbij?

De eerste vraag over de plotselinge opkomst van de onkerkelijkheid wordt bij ons ook wel eens gesteld. Zonder dat er een antwoord op komt. Onlangs nog bij een bespreking in de Volkskrant van het boek "De religieuze kaart van Nederland', van Hans Knippenberg. De recensent schrijft: “Deze culturele aardverschuiving zal wel iets te maken hebben met de invloed van de massamedia, de opkomst van de welzijnsbureaucratieën en de dynamiek van de economische ontwikkeling. Maar al deze factoren zijn ook werkzaam in de ons omringende landen en daar is de onkerkelijkheid toch een veel minder massaal verschijnsel.” Auteurs als prof. P. van Leeuwen hebben er al in de jaren vijftig jaren op gewezen, dat de oorzaak daarvan ligt in de hoge mate van godsdienstvrijheid, die in ons land werd getolereerd, ondanks de aanvankelijke discriminatie van katholieken. In andere Europese staten werd het beginsel cujus regio, ejus et religio (die het land regeert, diens godsdienst geldt, red.) consequent toegepast en dat leidde tot homogeen katholieke of protestantse landen. Daar was geen sprake van tolerantie.

Ondanks de dominerende positie van de officiële hervormde kerk bleef de vrijheid van godsdienst in ons land heersen, zowel voor katholieken als voor dissidente protestantse groeperingen. Van een echte volkskerk, dat wil zeggen een kerk die homogeen was met de samenleving, is hier sinds de zestiende eeuw geen sprake geweest. De vrijheid van godsdienst werd in die homogeen godsdienstige landen uiteindelijk toegestaan, maar het sociologisch verband tussen volk en kerk (katholiek of protestant) bleef zo sterk, dat het uittreden uit de kerk daardoor ook het karakter kreeg van breken met een lange traditie en met de eigen volksgemeenschap. Als je in ons land niet meer naar de kerk ging dan trad je gewoon uit of zei je tegen de ambtenaar van de volkstelling dat je niet meer tot enig kerkgenootschap wenste te behoren. Dat gebeurde zonder enig openbaar conflict en niemand nam je dat kwalijk.

Toen Bastiaan Bommeljé in deze krant het boek van G. Schutte recenseerde "Over de wortels van het christelijk-sociaal denken' concludeerde hij dat de goede verstaander wel enig antwoord kreeg op de vraag: “waarom onze ontkerkelijkte en misschien wel een heel klein beetje postmoderne samenleving nog altijd zo'n christelijke signatuur heeft”. Veel van die buitenkerkelijken bleven gelovig. Ze protesteerden tegen kerken als "gebalsemde mummies' of als bolwerken van conservatisme, op politiek terrein, maar vooral ook op zedelijk gebied. Dat is ook de reden waarom de groep opinie-onkerkelijken zich zo moeilijk laat organiseren. Het zijn geen atheïsten of mensen, die de transcendente dimensie radicaal ontkennen. Het Humanistisch Verbond is al meer dan veertig jaar leden aan het werven en het lukt maar niet. Wel slaagden de "humanisten' erin, ook tot verbazing van buitenlanders, om humanistische geestelijke verzorgers op te leiden en nog wel op een universiteit, die door overheidsgelden wordt gesubsidieerd en die vooral theologen en filosofen als docenten heeft. Precies als op een ouderwets grootseminarie of een theologische faculteit.

De tweede vraag heeft nog meer met vormgeving van godsdienst of identiteit te maken. Er is gepoogd om zuilvorming te ontkennen. Dat was verleden tijd. Marc Chavannes schreef begin dit jaar nog: “De verzuiling is voorbij. Nu pas breekt de tijd aan om in Nederland, behalve de harmonie-voordelen, ook de prijs van dit systeem van pappen en nathouden te gaan vaststellen”. Men blijft bij protestanten en katholieken maar discussiëren. Het studiecentrum Welzijn en Levensbeschouwing Windesheim constateerde in een onderzoek, dat er regelmatig bij protestantse organisaties over de vormgeving van religieuze identiteit wordt gepraat. Het Katholiek Centrum voor Overleg en Vormgeving praat er op een conferentie in Oegstgeest op 18 juni ook weer over. De opkomst van de islamitische minderheid heeft de verzuiling weer actueel gemaakt.

Inmiddels kwam A. Lijphart zijn prijs ophalen bij de Koninklijke Academie. Hij vond pacificatie, dus dat "pappen en nathouden' door middel van verzuiling nog altijd relevant, zelfs voor het nieuwe religieuze fenomeen van de islamitische minderheden. De Volkskrant, zelf nazaat van de verzuiling, kon dat maar niet geloven: “Het zijn verstarde organisaties die zich in het besluitvormingsproces hebben genesteld en nauwelijks democratisch te controleren zijn.” Lijphart was niet van zijn stuk gebracht en antwoordde: “Als je per beroepsgroep één organisatie hebt in plaats van drie, is die dan beter te controleren? Dat zie ik niet zo. Onderlinge concurrentie houdt de mensen eerlijk.” En verder:

“Integratie door verzuiling duurt misschien wel langer, maar op den duur werkt het toch beter. Er zijn minder conflicten en achtergestelde groepen kunnen zich optrekken aan de andere. In Nederland waren de katholieken heel lang een minder geprivilegieerde groep. Die achterstelling is in de loop der tijd toch ook helemaal verdwenen?” (19 mei.)

Of Nederland tolerant blijft weet ik niet. Er zijn veel ondergrondse sociale spanningen. De bijverschijnselen ervan zijn een diep geworteld wantrouwen, verbittering, geestelijke nivellering, verzwakking van het individuele geweten, collectieve nervositeit en een minderwaardigheidsgevoel bij economisch zwakke groepen. De socioloog P. Bouman noemde deze al in 1946. Hij zou ze nu kunnen herhalen. Niet bij het begin, maar bij het eind van de Koude Oorlog.

Foto: Vrouw brandt kaarsjes in de kerk. (Foto NRC Handelsblad/Rien Zilvold)