Soeverein Slowakije

HET FEEST IS begonnen en de feestgangers aanvaarden bij voorbaat de onontkoombare kater. In Europa is een kernsplitsing op gang gekomen die zich niet meer laat stoppen. Hoe verscheiden ook, de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, het Deense Nee tegen Europa en nu weer de zich aankondigende afscheiding van Slowakije ontlenen alle hun dynamiek aan hetzelfde verschijnsel: zelfoverschatting en ballorigheid over alles wat vreemd is veroorzaken in kleine kring een gevaarlijk soort uitgelatenheid, een riskant kom-maar-op-gevoel.

Na Joegoslavië en de Sovjet-Unie is Tsjechoslowakije aan de beurt voor een ronde etnische regressie. Maar de objectieve factoren die in de eerste twee genoemde landen de separatistische krachten geloofwaardigheid schonken (denk bijvoorbeeld aan de Baltische landen en hun geschiedenis) ontbreken in het land van president Havel. Er zijn belangentegenstellingen tussen Tsjechië en Slowakije en er is nu als gevolg van de verkiezingsuitslag een duidelijke scheiding der geesten over de aanpak van de sociaal-economische verloedering. Maar in Praag zetelt een democratische regering en een president die bevordering van de gelijkwaardigheid van de verschillende landsdelen tot prioriteit heeft gemaakt. Bovendien: er is geen sprake van een in bloed gedrenkte geschiedenis tussen beide volken zoals dat het geval is tussen Serviërs en Kroaten en evenmin van knechting van het ene volk door de machtselite van het andere zoals het imperium der Russische tsaren dat te zien heeft gegeven.

DE BUITENWERELD zal zich opnieuw bepalen tot een poging de schade te beperken, veel meer is voor haar niet weggelegd. Maar de manier waarop dat gebeurt, is niet zonder betekenis, zoals de ervaring in het voormalige Joegoslavië heeft geleerd. Ten aanzien van het Servische machtsstreven is de houding van de rest van Europa en van de Verenigde Staten lang onduidelijk gebleven en de te laat begonnen Europese bemiddeling droeg dan ook alle kenmerken van een diplomatieke chaos. We kennen uitsluitend de werkelijke loop der gebeurtenissen, maar de speculatie dat in Joegoslavië veel had kunnen worden voorkomen als er meer kennis van zaken beschikbaar was geweest en meer eensgezindheid is niet te ver gezocht.

Er is dus alle reden de Slowaakse vertegenwoordigers vroegtijdig duidelijk te maken dat Europa hun separatisme geen goed hart toedraagt, dat het verkrijgen van erkenning niet eenvoudig zal zijn, evenmin als toegang tot de hulpbronnen die voor Oost-Europa beschikbaar zijn. Het verwijt dat er dan met twee maten wordt gemeten, kan worden gepareerd. De bezwaren der Slowaken tegen het leven in een staatsverband met de Tsjechen wegen niet op tegen de nadelen van de sociaal-economische desintegratie die van afscheiding het gevolg zal zijn. De aanknopingspunten voor hulpverlening van buiten worden in dat geval bewust ondermijnd door een duidelijke wilsbeschikking van de Slowaakse bevolking. De hulpverleners zijn gerechtigd daaruit de consequenties te trekken.

De verwachting in Praag zelf is dat de scheiding zich op een "fluwelen' wijze zal voltrekken. Maar daarmee is niet alles gezegd. De Hongaarse minderheid in Slowakije zou op haar beurt het recht op zelfbeschikking kunnen opeisen waarbij steun uit Boedapest voor de hand ligt. Tot wat voor kettingreactie dat weer zou leiden, bijvoorbeeld onder de Roemenen van Hongaarse afkomst, laat zich voorspellen. Voor Europa een extra reden om zich zonder aarzeling te bezinnen op de kwade kansen van de Slowaakse onafhankelijkheid.