Recht op antwoord

In het artikel "Journalistiek gebaat bij eigen gedragscode' (NRC Handelsblad, 4 juni) onderschrijft H. Evers in grote lijnen het verzet van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) tegen de introductie door de EG van een richtlijn voor het recht op antwoord in de pers. In zijn betoog ontbreekt echter een element uit onze argumentatie tegen het recht op antwoord in de Nederlandse pers: het bestaan van een redactiestatuut.

De Nederlandse journalistiek onderscheidt zich in gunstige zin van de meeste buitenlandse bladen door het redactiestatuut, waarmee het werk van redacties wordt afgeschermd tegen eventuele bemoeienis van advertentie-afdeling, directie of derden. Een door de EG opgelegde invoering van het recht op antwoord, zou juist de in het redactiestatuut verankerde journalistieke onafhankelijkheid doorbreken en derden ongewenst toegang geven tot de redactionele pagina's. Het verzet van de NVJ tegen de Europese bemoeizucht met de journalistieke beroepsuitoefening, betreft behalve de invoering van het recht op antwoord ook de totstandkoming van een "Europese' journalistieke gedragscode.

Evers noemt ons verzet ambivalent: “geen behoefte aan een beroepscode maar wel een beroep doen op het verschoningsrecht.” Het is hem blijkbaar ontgaan dat de NVJ en de IFJ al jarenlang de door journalisten opgestelde Code van Bordeaux hanteren. Een raamwerk van journalistieke beginselen waaraan iedere journalist individueel of elke redactie afzonderlijk een eigen invulling of verdieping kunnen geven. Het bevorderen van de totstandkoming van een Europese journalistieke code zoals het Europese Parlement binnenkort aan de Europese Commissie denkt op te dragen, gaat aan de bestaande IFJ-code voorbij. Door ons verzet heeft het Europese Parlement de rol van de EG-commissie bij de journalistieke beroepscode iets afgezwakt, maar het blijft rieken naar ongewenste bemoeienis.