Naar Varadero, en terug

Wie alleen Havana bezoekt, heeft Cuba niet gezien, zei Fidel Castro ooit. Dat geldt nog meer voor de toeristen die uitsluitend de vakantieoorden bezoeken bij de kustplaatsen Varadero en Guardalavaca, in het oosten van het land waar Columbus 500 jaar geleden aan land kwam. In het straatbeeld van deze badplaatsen overheersen roodverbrande Duitsers. Ze wagen zich liever niet buiten de veilige vakantiekolonies, of er moet een groepstocht per bus naar een van de grote steden op het programma staan. De toerist die niet op honderd dollar kijkt, vliegt een dagje naar het uitsluitend voor buitenlanders bestemde vakantie-eiland Caya Largo, ten zuiden van het Cubaanse "vasteland' of de nabijgelegen zonbestemmingen Nassau, Cançun (Mexico) of Montego Bay (Jamaica).

Een bejaarde Limburger, doof en grijs, heeft Varadero als eindbestemming. Hij wil er twee weken genieten van het beste wat Cuba te bieden heeft. Meneer Smeets is het type toerist dat de Cubaanse overheid graag ziet komen; met vast verblijf op één stek en voorzien van een portefeuille vol dollars. “Ik zit twee weken in een hotel. Lekker niks doen. Ik hoef alleen maar te kiezen wat ik wil eten.” Geholpen door een Cubaanse reisleidster strompelt de grijze Limburger naar een taxi.

Bij de uitgang van het nieuwe luchthavengebouwtje van Varadero houdt Conéida, een 23-jarige Cubaanse vrouw met het uiterlijk van een 16-jarig meisje, landgenoten tegen die naar Havana willen vliegen. Ze krijgt hulp van een paar officials die op het vliegveldje werken. Het kleine gezelschap toeristen dat naar de ruim honderd kilometer verderop gelegen hoofdstad doorvliegt mag als eerste in het vliegtuig, een meer dan twintig jaar oude Iljoesjin, een tweemotorig Russisch produkt. Op honderd meter volgen de Cubanen. Ook in het vliegtuig worden de toeristen gescheiden van de gewone man. Een genante vertoning, geeft Conéida toe. “Maar het moet nu eenmaal, zo zijn de regels. De toeristen vormen een belangrijke bron van inkomsten voor Cuba. Nee, natuurlijk is het niet leuk en het maakt de tegenstelling tussen toerist en Cubaan alleen maar groter.”

Conéida begeleidt toeristen, maar eigenlijk wil ze een baan als vertaalster. Aan de Universiteit van Havana, ooit een broeinest van revolutionaire geesten, heeft ze Engels gestudeerd. Voorlopig zal ze haar brood moeten verdienen op het reisbureau van Cubanacan. Af en toe mag ze er even uit om op het haveloze vliegveldje van Holguin toeristen op doorreis naar Havana op te vangen.

Het gezicht van Conéida betrekt als ze een blik in de toekomst werpt. Ze moet er niet aan denken dat de Cubaanse ballingen in Miami het ooit nog eens voor het zeggen krijgen op het eiland. “Er ontstaat dan een tweedeling in de maatschappij, van Cubanen die in het buitenland hebben gewoond en Cubanen die gebleven zijn. De Cubanen die het land niet zijn ontvlucht worden dan min of meer als collaborateurs beschouwd omdat ze trouw gebleven zijn aan de revolutie. Tenminste, zo kijken velen er in Miami er tegenaan.”

Voortmijmerend over de toekomst: “Het zou zonde zijn als de goede dingen van het socialisme niet behouden kunnen blijven. Maar nu gaat het op bijna alle terreinen steeds slechter. Er gaat steeds meer op de bon, alles wordt duurder en de rijen worden langer.”

Dan valt ze in slaap. Ze ontwaakt een half uur later, als de Iljoesjin in de duisternis op het internationale vliegveld José Marti landt. Over twee weken mag ze weer terug naar Holguin, om de volgende lading toeristen uit Europa te vergezellen op hun eerste schreden op het eiland.