Het behoud van Oranienburg

In Potsdam staan 134 achttiende-eeuwse Hollandse huizen, plus nog wat verspreide bouwwerken van Nederlandse oorsprong. Dertig kilometer ten noorden van Berlijn staat het paleis in Oranienburg. Net als de rest is het Nederlands erfgoed in de DDR-tijd zo verwaarloosd dat het alleen met buitenlandse hulp, sponsors en veel goede wil van de ondergang te redden is. Aan de Tweede-Kamerfracties van CDA, PvdA, VVD en D66 zal het niet liggen. Die hebben er vorige week aan de minister van WVC vragen over gesteld.

Al ruim twee jaar zet Theo Elsing zich in voor restauratie van de Nederlandse historische panden rond Berlijn, eerst via de Koninklijke Oudheidkundige Bond en nu, wegens overheidsbezuinigingen, via een eigen vennootschap, het Nederlands Adviesbureau Monumentenzorg. Voor zijn regelmatige reizen naar Potsdam heeft hij de steun van een autoleasebedrijf in Gouda.

Voordat Elsing ons meeneemt naar het verkommerde paleis in Oranienburg, moet hij: a) nog een stukje metselen aan een van de klokgevels in de Hollandse wijk in Potsdam; b) overleggen met het hoofd bouwzaken van de Stichting Paleizen en Tuinen Postdam-Sanssouci over de nog ontbrekende gelden voor de opknapbeurt van de Hollandse molen naast Paleis Sanssouci en c) verslag uitbrengen aan de voorzitter van de gemeenteraad over de opknapbeurt van Hollands erfgoed in Postdam.

Nog steeds is hij een en al enthousiasme voor de goede zaak, ondanks geldgebrek, Oost- en Westduitse bureaucratie en ambachtelijke onverschilligheid. Zelfs ondanks een Westduitse dame van Oostduitse afkomst, die onlangs onverwacht opdook. Zij claimde een van de oorspronkelijke panden, bestemd voor een Hollands Museum, als het hare. Maar Elsing laat zich niet uit het veld slaan. Bovenop een steiger staat hij energiek te jongleren met specie en spatel, terwijl enkele werklieden toekijken. “Voor het eerst sinds 250 jaar wordt er weer op Hollandse wijze gevoegd en gemetseld.”

De Hollandse projecten in Potsdam zullen het wel overleven, schat Elsing, nu de toeristische waarde van de hele stad inmiddels van alle kanten is onderkend. De gemeente Potsdam heeft weliswaar een tekort van tachtig miljoen mark, maar de eerste particuliere investeerders en sponsors hebben zich inmiddels gemeld. Zaak is alleen al te vulgaire commercialisering tegen te gaan.

Voor het Paleis Oranienburg ligt de zaak anders. Dit 17de-eeuwse paleis werd ooit gebouwd door "onze' Louise-Henriette van Oranje. Zij was getrouwd met de Grote Keurvorst; Oranienburg was een van hun zomerresidenties. Het paleis raakte na haar vroegtijdige dood in 1667 geleidelijk aan in verval. Louise-Henriettes zoon en kleinzoon lieten af en toe nog wat opknappen en aanbouwen, maar de latere generaties Hohenzollerns geloofden het wel. In 1803 verkocht Friedrich Wilhelm III Paleis Oranienburg aan een katoenweverij en dat was het begin van het einde. Daarna diende het slot onder andere als zwavelzuurfabriek, lerarenseminarie, SS-kazerne en kazerne van de DDR-grenspolitie. Het militaire verleden valt goed af te lezen aan de binnenplaats, die tot zo hoog is geschilderd als de geuniformeerde mannen vanonder hun kleppetten op konden kijken. Het afgebladderde, eens witte paleis staat er wat troosteloos bij.

Ooit was het een waardige look-alike van Paleis Noordeinde of 't Loo, legt Elsing uit. Nu is de 35 hectare grote siertuin verwilderd. Binnen is alleen de Porceleinkamer nog de moeite van het aanzien waard. De plafondschildering van de Nederlander Augustinus Terwesten, dikke engeltjes die met porseleinen vazen komen aanfladderen, is vreemd genoeg vrijwel ongehavend en verdient meer dan ooit zijn naam: De triomf van het Porcelein. Overigens werd de ooit spectaculaire porseleinverzameling van de Grote Keurvorst en Louise-Henriette bijna in haar geheel verkocht door soldatenkoning Friedrich Wilhelm I. Een goede vaas stond zo'n beetje gelijk aan een jaarsalaris van een regiment dragonders en de keuze kon dus niet moeilijk zijn.

Dit verval van twee eeuwen is maar ten dele ongedaan te maken, zegt Elsing. Enkele kamers kunnen via grondige restauraties worden gered, de overige zullen na een meer basale opknapbeurt in gebruik blijven als raadhuis. Het landgoed kan gedeeltelijk weer de siertuin worden die het ooit was, de rest van het terrein zou plaats kunnen bieden aan nieuwe woningen. Maar er is nog geen geld. Elsings gesprekspartner, bouwdirecteur Schulze, heeft wel een rapport vol aanbevelingen geschreven, maar lijkt voor de uitvoering op zijn Hollandse contact te vertrouwen. Aarzelend komt deze met de suggestie het geplande paleismuseum ook te enten op de oorlogsgeschiedenis van Oranienburg. In de stad was een concentratiekamp, net als in het buurstadje Sachsenhausen.

Laatstgenoemd kamp is nu een oorlogsmonument, nog wel, want het had niet veel gescheeld of de autoriteiten hadden toestemming gegeven het terrein vrij te geven voor de bouw van een grote supermarkt. Aan een voormalig concentratiekamp valt niets te verdienen, dachten zij. Maar wie weet is het mogelijk, filosofeert Elsing hardop, Nederlandse herdenkingsorganisaties voor Paleis Oranienburg te interesseren, indien daar iets educatiefs-museaals over de Tweede Wereldoorlog kan worden opgezet. Da's een idee, beaamt Schulze. Tot over enkele weken maar weer.

“Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn met dit onderwerp”, verzucht Elsing, als we later rondlopen in het voormalige concentratiekamp Sachsenhausen. “Voor je het weet sta je bekend als een betweterige westerling, die z'n zin wil doordrijven omdat hij nu eenmaal de geldbuidel bezit. Ik heb trouwens geen geldbuidel.” Hij overweegt een steunverzoek aan de Nederlandse Stichting Ex-Politieke Gevangenen, omdat in Oranienburg en Sachsenhausen veel politieke gevangenen zaten. Heinrich Schmidt bijvoorbeeld, die van Duitse afkomst was maar het grootste deel van zijn leven in Nederland heeft gewoond. Bij een aan hem gewijde vitrine in het kampmuseum blijft Elsing nadenkend staan: “O jee, laat hij nou net communist zijn geweest. Ik hoop dat dat niet voor allemaal geldt, want dan voelen die Oostduitsers natuurlijk helemaal niets voor herdenken.” Hij zucht ervan. “Soms voel ik me hier alsof ik op eieren loop.”

Foto: Theo Elsing: “Iets educatiefs-museaals zou goed in het paleis passen.”