DE DUITSERS HOCKEYEN LIEVER HIER

Het nationale hockeyteam van Duitsland vertoont duidelijke overeenkomsten met dat van de voetballers. De hockeyers spelen in achterhoede en middenveld degelijk en scherp en hebben in de aanval de nodige creativiteit en koelbloedigheid à la Klinsmann en Völler. Daarom is de ploeg dé favoriet voor het olympische goud.

Een gehate speler als Lothar Matthäus loopt er volgens de Nederlanders niet bij de Duitse hockeyers rond. “Zij vinden eerder Cees-Jan Diepeveen onze Matthäus. Die is, vinden ze, onsportief en provocerend”, zegt Oranje-aanvoerder Marc Delissen. Hij noemt de Duitsers “best aardige kerels”. “Er is geen sprake van haat en nijd, maar ook bij ons is Nederland-Duitsland een beladen wedstrijd, natuurlijk. Daar zorgt de omgeving wel voor.” Verdediger Hendrik-Jan Kooijman: “Duitsers blijven Duitsers. Dat type mens ligt ons gewoon niet.”

De bewondering voor het spel van Duitsland overheerst. Oranje werd zaterdag in Amstelveen met recht-toe-recht-aan-hockey met 3-0 afgedroogd. “En”, aldus Kooijman na afloop, “ik heb het idee dat ze zich nog hebben ingehouden ook.” Middenvelder Jacques Brinkman: “Ze halen geen gekke capriolen uit. Ze weten precies wie wat kan en slaan ineens toe, pats. Dan realiseer je je ineens van: shit, het zijn Duitsers. Het zijn killers.”

De Duitse hockeybondscoach Paul Lissek kan begrijpen dat de vergelijking met de voetbalploeg wordt gemaakt. “Maar we kopiëren niet bewust het spel van de voetballers, absoluut niet.” Lissek zegt ook bij Nederland overeenkomsten met de voetballers te zien. “Zo'n Van Basten is een hele handige en technische spits en dat is Taco van den Honert ook.” Lissek beaamt dat er zoiets is als de Duitse stijl. “Je kan beter aan een buitenlander vragen wat de Duitse sporter typeert. Hij wordt vlijtig genoemd, een harde werker en hij kan zich goed op één doel concentreren. Dat zijn mooie complimenten. Maar ik zie eerlijk gezegd bij Nederland ook dergelijke types rondlopen. Veel verschil is er volgens mij niet. Ik zou best wel eens in Nederland willen werken om uit te vinden of dat werkelijk zo is.”

Lissek heeft interesse voor vele takken van sport, ook voor voetbal. Hij noemt Otto Rehhagel, de trainer van Europa Cup 2-winnaar Werder Bremen, door zijn uitstraling, inzicht en kennis van zaken “beetje een voorbeeld” van hem. Lissek leert van het voetbal. “Ik leer van alles en iedereen. Ik heb deze week nog de training van Nederland gezien. Dan leer ik ook weer wat van Hans Jorritsma. Ik vind dat voetballers meer van ons dan wij van hun kunnen leren. En ik ben echt geen arrogante man. Maar ik denk dat de hockeyers voor bepaalde spelsituaties vaak een betere oplossing hebben dan de voetballers. Nee, zij kijken meestal niet naar andere sporten. Ze zijn misschien een beetje te zelfbewust.”

Paul Lissek verklapt dat het “een geheime wens” van hem is om nog eens in het voetbal actief te zijn. “Soms jeuken mijn handen.” Hij zegt teleurgesteld te zijn over de matige resultaten van het Duitse voetbalelftal in de voorbereiding op het EK. “Als wereldkampioen moet je toch één keer je klasse tonen, met 3-0, 4-0 van een land als Ierland winnen. Dan ben je eigenlijk verplicht.”

Dat was, vertelt hij, ook de reden dat Lissek zijn team in Amstelveen voluit tegen Nederland liet gaan. “Dat was noodzaak. Het is voor de spelers zelf belangrijk om te weten hoe goed ze kunnen zijn.” De overtuigende zege op Oranje zorgde er wel voor dat Duitsland nu definitief als de grootste kandidaat voor het olympische hockeygoud wordt gezien. Na de teleurstellende eerste twee wedstrijden van zijn team in Amstelveen had Lissek nog uitgeroepen dat Duitsland nu tenminste geen favoriet voor Barcelona meer zou zijn. “Ik weet dat wij nu onder druk staan. Dat is niet erg. Daar moeten we tegen kunnen.”

Lissek nam anderhalf jaar geleden het bondscoachschap van de bijna niet weg te denken Klaus Kleiter over. Zijn komst heeft het Duitse hockey duidelijk goed gedaan. Sindsdien werd twee keer de Champions Trophy gewonnen alsmede de Europese titel in Parijs. De 44-jarige Lissek, zelf 49-voudig international als aanvaller, is een succestrainer. Hij deed uitstekend werk met de nationale jeugd- en vrouwenploeg. “Ik heb geen geheim, geloof ik.”

Lissek, vrijgezel, is een harde werker en een perfectionist. Hij laat niets aan het toeval over en is altijd met hockey bezig. In dat opzicht lijkt hij zeker op zijn voetbalcollega Berti Vogts. Lissek vindt zijn team een goede mixture tussen jong en ervaren. Hij heeft een ploeg zonder een echte sterspeler. “Bij mij is de rechtsachter net zo belangrijk als de centrale middenvelder. Carsten Fischer is natuurlijk een bijzondere hockeyer, maar hij trekt het spel niet naar zich toe.” Volgens Lissek heeft hij niet bewust voor deze samenstelling gekozen. Een echte spelbepaler loopt er momenteel gewoon niet in het Duitse hockey rond. “Het kan”, zegt hij wel, “gevaarlijk zijn om één man heel belangrijk te maken en alle ballen naar hem te spelen. Want wat doe je als hij uit vorm is?”

Stefan Blöcher was zo'n Duitse Superspieler. Hij maakte onder Lissek maar heel even deel uit van de nationale selectie. “Maar ik heb hem er niet uitgezet. Welnee. Hij heeft zelf bedankt. Ik heb hem juist teruggehaald bij de selectie. Ik wilde alles proberen. Blöcher heeft rondgekeken en zag dat er een heel ander systeem dan onder Kleiter werd gespeeld. En hij vond zich te oud om zich weer aan te passen. Ik vond het heel sportief dat hij dat zelf constateerde. Hij wilde geen probleem zijn.”

De Duitse hockeyers zijn, jaloers gadegeslagen door Hans Jorritsma, al geruime tijd met de voorbereiding op Barcelona bezig. Ze speelden - om aan de hitte te wennen - al in Maleisië, testten de olympische accommodatie en troffen India, straks hun eerste tegenstander. Het lijkt een uitgekiende planning. “Het heeft vooral met gevoel te maken”, legt Lissek uit. “Ik heb weleens de duur van een trainingskamp ingekort omdat het allemaal te veel werd.”

Lissek merkt dat een aantal spelers moeite heeft om het hele programma te volgen. Hij praat van een nieuwe generatie. “Ik kon vroeger geen genoeg krijgen van hockeyen. Tegenwoordig zie je dat ze soms geen zin hebben, alweer video, alweer trainen. Ze hebben ook alles hè, geld, disco. Het is een andere wereld.” Lissek vindt dat er te vaak wordt gesuggereerd dat spelers moe en overbelast zijn. “Het is altijd een mooie verontschuldiging om een mindere periode te verklaren. Laatst stond er bij ons weer in de krant Lissek macht zu viel. Wat moet ik daar nu mee? Jongens als Blunck en Fried krijg je echt moeilijk moe. Door die 3-0 tegen Nederland werd meteen het tegendeel van al die suggesties bewezen. Wunderbar. Toen heb ik aan die journalist gevraagd wat hij nu ging schrijven.”

Het hockey wordt, aldus Lissek, in Duitsland als “een stiefkind” van de sport beschouwd. “Er is alleen enige beroering als er medailles worden behaald. Wij spelen nog interlands voor 500 toeschouwers. Daarom hockeyen mijn spelers liever in Nederland dan thuis.” De bondscoach ziet het als zijn grote doel om daar verandering in te brengen. “Misschien kunnen we een beetje de Nederlandse verhoudingen creëren.” Lissek looft de clubstructuren in het Nederlandse hockey. “Clubs met 700, 1000, 1500 leden zijn in Nederland geen uitzondering. Dat heeft alles met organisatie te maken. Wij hebben geen mensen die onze sport verkopen. Waarom is BMW hockeysponsor in Nederland en niet in Duitsland?”

Foto: De Duitsers, met in het midden Fischer, in het doel bij een Nederlandse strafcorner. (Foto NRC Handelsblad/Chris de Jongh)