Bevolkingsonderzoek schiet soms doel voorbij

In het hoofdredactioneel commentaar van 30 mei op het rapport Genen en grenzen van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA wordt gesteld: als zwangere vrouwen een bevolkingsonderzoek wordt aangeboden naar een ongeneeslijke aandoening bij de vrucht, dan kunnen deze vrouwen zelf kiezen of zij willen deelnemen aan dat onderzoek en of zij vervolgens kiezen voor een abortus provocatus. Een verbod van de overheid van deze bevolkingsonderzoeken is in strijd met die keuzevrijheid.

De CDA-commissie van dertien deskundigen beveelt echter een wettelijk verbod aan van bevolkingsonderzoeken waarbij de enige interventiemogelijkheid een abortus provocatus is - onder andere juist wegens de aangeduide keuzevrijheid van burgers. Een ook in vakliteratuur onderkend probleem bij de keuzevrijheid om aan een bevolkingsonderzoek deel te nemen, vormt de werkelijke vrijwilligheid bij het maken van de keuze. Bevolkingsonderzoeken hebben tot doel de volksgezondheid te bevorderen.

Als de overheid een vergunning geeft voor de hier bedoelde bevolkingsonderzoeken bij zwangere vrouwen, geeft zij daarmee te kennen dat dit in het belang is (of kan zijn) van de volksgezondheid. Dit terwijl geen behandeling mogelijk is en bekend is dat de meeste mensen tot abortus overgaan. Het fiat van de overheid aan het opsporen van vruchten met een niet te behandelen afwijking kan een voedingsbodem zijn voor maatschappelijke opvattingen dat menselijk leven, dat qua lichamelijke en geestelijke vermogens niet beantwoordt aan wat wij kennelijk normaal vinden, maar beter niet geboren mag worden. Zulke opvattingen kunnen ook in de hand worden gewerkt, omdat bevolkingsonderzoeken zich richten op gezonde personen en gezonde zwangerschappen. Anders dan wanneer in individuele situaties mensen naar een arts gaan, is bij bevolkingsonderzoek dus geen indicatie aanwezig (bijvoorbeeld het voorkomen van een erfelijke aandoening in de familie).

Het is de taak van ook de overheid om eugenetische tendenzen en een maatschappelijke drang om niet gezonde kinderen niet geboren te laten worden, tegen te gaan. Zowel de keuze om niet aan een bevolkingsonderzoek deel te nemen als de keuze tegen een abortus in geval de gevreesde aandoening aanwezig blijkt, kunnen namelijk in het gedrang komen. Dit temeer, waar alom het risico wordt onderkend van drang van burgers maar ook van bijvoorbeeld verzekeraars die het "eigen schuld, dikke bult'-principe huldigen: als in de wetenschap van het niet gezond zijn van de vrucht niet tot abortus wordt overgegaan, moeten de ouders de financiële en andere consequenties maar zelf dragen.

Nu kan nog van consensus worden gesproken over de verwerpelijkheid van dergelijke denkbeelden. “Niet alles wat kan, mag” klinkt mooi en heeft ieders instemming. Het verwordt echter wat de overheid betreft tot holle kretologie als deze niet bij elke beleidsbeslissing en bij wetgeving zorgvuldig nagaat wat de mogelijke consequenties zijn voor individuele burgers maar ook voor de samenleving als geheel. De individuele burger wordt niet geschaad met een verbod op bevolkingsonderzoek waarbij abortus de enig mogelijke interventie is. Het blijf de persoon in kwestie immers vrij staan naar een arts te gaan om zich te laten onderzoeken. Een beschaafde samenleving is echter niet gediend met het toelaten van bedoeld bevolkingsonderzoek. Integendeel: de mensen met een aangeboren handicap die aan onze zorg zijn toevertrouwd zullen dan als tweederangs burgers worden beschouwd. Wie zou het risico daarop tot zijn verantwoordelijkheid willen rekenen?