Alleen Israelische theater neemt Arabieren serieus

Tijdens een gesprek met de schrijver David Grossman zei een jonge Drusische docent sociologie aan de universiteit van Haifa: “De Arabieren hoeven niet toe te geven. Zij vormen achttien procent van de bevolking in Israel en de staat maakt geen gebruik van hun mogelijkheden”. De Arabische socioloog voegde eraan toe dat het een grote verspilling was, waarom begrepen de joden dat niet? David Grossman sprak met veel meer Arabieren. Ook interviewde hij een aantal joden dat zich bezighoudt met de ingewikkelde betrekkingen tussen Israelische joden en Israelische Arabieren. Hij heeft een angstaanjagend verslag over zijn onderzoekingen gepubliceerd, en zelfs voor iemand die in Israel is geboren en getogen, is het schokkende lectuur.

Je ontdekt plotseling dat je je buren heel lang maar nauwelijks hebt gekend. Het besef dat zij ook vrijwel niets weten van jouw geschiedenis en lijden doet niets af aan deze ontmoedigende realiteit. Grossman noemde zijn nieuwe boek Present Absentees en het zou mij niet verbazen als er in Europa al snel vertalingen komen.

In het Israel van 1948 woonden ongeveer honderdzestigduizend Arabieren. Hun aantal bedraagt nu meer dan zevenhonderdvijftigduizend. De Arabische landen waren toen met Israel in oorlog, en de meeste ervan staan nog steeds vijandig tegenover de realiteit dat de joden een eigen staat hebben op het grondgebied van hun voorouders. De Palestijnse Arabieren die in Israel bleven, bevonden zich in een hachelijke situatie. Het land dat zij als hun land hadden beschouwd, werd nu geregeerd door de joden. Zij, de Arabische bewoners van Israel, zouden nu een minderheid worden en misschien blijven. De toekomst zou leed brengen en hen voor een dilemma plaatsen: konden zij hun best doen om gelijke kansen te krijgen, alle kansen die Israel te bieden heeft en zich tegelijkertijd zo sterk betrokken voelen bij de nationale aspiraties van de andere Palestijnen, die op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza wonen en in of buiten de kampen in Libanon, Syrië en Jordanië, landen die nog steeds met Israel in oorlog zijn? Hoe los je dit dilemma op?

Israel heeft zijn eigen dilemma, moreel en politiek. Hoe behandelt het zijn Arabische burgers? Kan het zich veroorloven voor zijn joodse bevolking en zijn Arabische inwoners verschillende maatstaven te hanteren? Hoe kan Israel het van oudsher belangrijkste doel, herstel van joods leven, veiligheid en ontwikkeling van het land, in overeenstemming brengen met zijn duidelijke geloof in democratische en liberale tradities en verplichtingen? Zolang de Palestijnse aspiraties zich openlijk tegen Israels bestaan richtten, was het geen werkelijk dilemma. Maar nu de acceptatie van Israel door de Palestijnen begint toe te nemen, zou Israel op zijn nationale urgentielijstje de kwesties moeten opnemen die betrekking hebben op zijn Arabische minderheid.

Een intelligente jonge Arabische vrouw in één van de dorpen zei tegen Grossman: “Wij hebben geen enkele behoefte om meer kinderen te produceren voor ons moederland”. Het voortbrengen van acht of tien kinderen in Arabische families was, en is misschien nog, een wapen van de zwakken dat een dermate grote demografische bedreiging voor Israel zou vormen dat die zijn hegemonie in het land zou ondermijnen. Maar deze jonge vrouw zegt nu dat zij niet meer dan drie kinderen wil, omdat zij hun een goede scholing, en hopelijk, een economische basis voor een beter leven wil geven. Bovendien wil ze zelf carrière maken en ze realiseert zich dat zij met veel kinderen aan huis gebonden zou zijn.

Andere Arabieren die door Grossman zijn geïnterviewd, geven uiting aan eenzelfde soort logica. Eén van hen zei: “Als er op de Westelijke Jordaanoever een Palestijnse staat komt en Arafat beweert dat ik deel uitmaak van Israel, accepteer ik dat”. Het probleem is echter dat de meeste Israelische Arabieren nog steeds het gevoel hebben dat hun kansen om als gelijken opgenomen te worden in de Israelische samenleving nog ver te zoeken zijn, zelfs als zij een universitaire studie hebben voltooid en hun capaciteiten hebben bewezen. Israelische Arabieren die blijk hebben gegeven uitstekende acteurs te zijn, zijn opgenomen in diverse Israelische toneelgroepen. Maar deze acceptatie geldt verder nergens, behalve misschien in het voetbal. Onder de ruim vijfduizend hoogleraren en docenten met een volledige baan aan de Isarelische universiteiten, zijn maar twaalf Arabieren. Onder de vierhonderd advocaten in dienst van het ministerie van justitie, valt geen Arabier te bespeuren.

Israel heeft een ministerie voor religieuze zaken, maar aan het hoofd van de moslim-afdeling staat nog steeds een jood. In de directie van de omroep zit geen Arabier en de Arabische programma's die door de Israelische telvisie en radio worden uitgezonden vallen onder de verantwoordelijkheid van een jood. En dat in een land waar in meer dan veertig jaar slechts 0.4 procent van de Arabische bewoners ooit is beschuldigd van vijandige handelingen tegen de staat. Als je de Arabieren in Israel zou vragen of zij blij zouden zijn met de vernietiging van de staat, zou nog geen tien procent die vraag positief beantwoorden. Aldus één van de geïnterviewden.

Bij een bezoek aan een Arabische middelbare school vroeg David Grossman, die vloeiend Arabisch spreekt, aan de leerlingen van de zesde klas wat zij weten over de holocaust. Het antwoord was zeer zorgwekkend. De leerlingen wisten weinig, en wat zij wisten was nogal verdraaid. Er wordt op Arabische scholen slechts één les aan de holocaust besteed. Geen wonder dat zij zo weinig weten.

De conclusies die Israel uit al deze bevindingen zou moeten trekken, hoeven niet tot wanhoop te stemmen. Er moeten geleidelijke oplossingen worden gevonden, die gericht zijn op het tot stand brengen van betere verhoudingen. Zover komt men waarschijnlijk alleen via een proces dat leidt tot een vreedzame oplossing voor het Palestijnse probleem en via een positieve ontwikkeling in de meer algemene problematiek van vrede met de Arabische landen. Israel wacht een lange en zware agenda en het zou niet in zijn eigen belang zijn als het deze uiterst gecompliceerde zaken onder het tapijt zou vegen.

Foto: Moskee op de Tempelberg in Jeruzalem. (Foto NRC Handelsblad/Leo van Velzen)