"Van een voetbalwedstrijd herinner ik me hooguit twintig minuten'; "Een WK is te groot voor een land als Zweden. Een EK niet'; "Er stappen tweeëntwintig profs het veld op en één amateur'

UEFA-president LENNART JOHANSSON is bepaald niet het prototype van de receptieloper die maar al te vaak op vitale bestuurlijke posities in de sport wordt aangetroffen. De 62-jarige Zweed is een doener met een open geest die met een aantal opmerkelijke maatregelen de onvergelijkbaar populaire voetbalsport veilig het jaar 2000 binnen wil leiden.

Twee jaar geleden volgde Lennart Johansson de Fransman Jacques Georges op als voorzitter van de Europese Voetbal Unie (UEFA). Johansson nam op dat moment een organisatie op zich van 36 aangesloten voetbalbonden, 268.000 clubs, 563.000 teams met meer dan 19,5 miljoen spelers en 420.000 scheidsrechters. Het was het een ideaal moment voor de Zweed, die de Zwitser Freddy Rumo met twintig tegen vijftien stemmen in de verkiezing had verslagen, om "ja' te zeggen tegen de UEFA. Johansson was met vervroegd pensioen gegaan bij één van de grootste meubel- en houtbedrijven in Zweden, waar hij in veertig jaar van verkoper van vloeren was opgeklommen tot president van de raad van bestuur.

“Ik kwam via het bedrijf al in 1952 de eerste keer in Nederland, in Krommenie, waar de zaak een filiaal heeft”, vertelt Johansson, die als voorzitter van de raad van commisarissen van zijn oude werkgever momenteel vrijwel al zijn tijd aan het voetbal besteedt. Een drukke bezigheid die hem 150 dagen per jaar uit Zweden verdrijft en hem mede is opgedrongen door de turbulente veranderingen die er sinds zijn voorzitterschap hebben plaats gevonden.

Werd zijn voorganger Jacques George voornamelijk geconfronteerd met tamelijk triviale problemen als de verkoop van de televisierechten voor het voetbal, het supportersvandalisme en het vrije verkeer van voetballers binnen de Europese Gemeenschap, Lennart Johansson stond in het middelpunt van revoluties waarvan de strekking voor de voetbalsport ook nu nog nauwelijks zijn te overzien. De terugkeer van de Engelse clubs in Europa, de Duitse eenwording, de veranderingen in het voormalige Oost-Europa, het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de burgeroorlog in Joegoslavië. Johansson: “Politieke zaken die ook een grote weerslag hebben op het internationale voetbal. Met als laatste triest voorbeeld de uitsluiting van Joegoslavië voor het EK.”

“Ik kan begrip opbrengen voor mensen die zeggen: "sportbestuurders schreeuwen altijd om het hardst dat sport en politiek niets met elkaar te maken hebben en nu worden de voetballers de dupe van een politieke beslissing.' Maar voor de geloofwaardigheid tegenover de rest van de wereld en het rechtsfatsoen konden wij niets anders doen dan de richtlijnen van de Verenigde Naties volgen en Joegoslavië uitsluiten. Hoe verschrikkelijk dat voor de betrokken spelers ook is. Hoe zeer het ook een sportieve devaluatie inhoudt van het EK.”

Lennart Johansson kwam via zijn zwager halverwege de jaren vijftig in aanraking met de bestuurlijke kant van de sport toen hij zitting nam in een comité voor het bandy, een Zweedse variant op het ijshockey. Zijn humor, nuchtere kijk op de zaken en bestuurlijke kwaliteiten bleven niet onopgemerkt. Via de Zweedse sportfederatie werd Johansson (“ik was een beroerde voetballer bij een derde divisieclub”) in 1982 gevraagd voorzitter te worden van de Zweedse voetbalbond.

In die periode maakte hij zich met succes sterk voor de organisatie van het ophanden zijnde EK in Zweden. Johansson: “Omdat ik vind dat kleine voetballanden met een goede infra-structuur ook in staat moeten worden gesteld een dergelijk toernooi te organiseren. Een WK is te groot voor een land als Zweden. Een EK niet. Dat blijkt ook wel uit de medewerking die de politiek ons heeft verleend. De regering, lokale autoriteiten, iedereen is erg enthousiast over dit toernooi. Ik weet dat in Nederland nogal schamper is gereageerd op de poging om, eventueel samen met België, het EK voor 1996 naar uw land te halen. Dat is niet terecht.”

“Wat de infra-structuur betreft, het geld, de accomodaties etc, is het tussen Engeland en Nederland een nek-aan-nek-race geweest, die maar net in het voordeel van Engeland is uitgevallen. Nederland maakt in de toekomst zeker een kans het toernooi te organiseren. Zelfs als in het jaar 2000 het eindtoernooi met twaalf of zestien landen is. Nederland mag weliswaar klein zijn, het is wel een belangrijk voetballand.”

De terugkeer van de Engelse clubs, na het Heizel-drama in 1985 uitgesloten voor deelneming aan de Europese bekers, in Europa beschouwt Johansson als het eerste grote succes in de eigentijdse bewindvoering die zijn regime kenmerkt. De aanpassing van de spelregel die na 25 juli in werking treedt dat een doelman een met de voet teruggespeelde bal niet meer in zijn handen mag nemen, is een tweede Johansson-initiatief dat sterk de aandacht heeft getrokken. Johansson: “Daar word je toch gek van? Keepers die de bal oppakken en strelen als een pas geboren baby? Tijdrekken, zware overtredingen, het almaar breed- en terugspelen van de bal, er dienen maatregelen te komen die een halt toeroepen aan die kwalijke ontwikkelingen die het voetbal als kijksport bedreigen.”

“Er zullen daarom in de toekomst nog meer aanpassingen van de spelregels komen. Voetbal is een prachtig produkt dat nog steeds grote mogelijkheden heeft. Maar het is no piano that plays itself. Wij als bestuur hebben de taak de kwaliteit van dit produkt te bewaken. Zeker in een tijd dat de toeschouwers door de televisie toch al minder gemakkelijk de gang naar het stadion maken dan in het verleden. Dat heeft alles met de vaak geringe kwaliteit van het spel te maken. Ik ga mezelf maar na. Van een voetbalwedstrijd herinner ik me hooguit twintig minuten. De rest is doorgaans uitermate boring.”

Zelf herinnert Johansson zich met groot plezier het WK in 1958 in Zweden, waar het Braziliaanse wonderteam zijn eerste wereldtitel veroverde door het gastland in de finale met 5-2 te verslaan. De toen 16-jarige Pele maakte zijn debuut bij Brazilië en speelde voetbal in een andere dimensie. “Maar wat me vooral nog voor de geest staat, is de vriendelijke sfeer die er toen in het hele land heerste. Ook rond dat voetbaltoernooi” , diept Johansson de nostalgische herinnering uit zijn geheugen op.

“Ik ben niet zo naïef dat ik mijn ogen sluit voor maatschappelijke veranderingen en weet best dat die tijden nooit meer zullen terugkeren, maar als liefhebber heb ik nooit meer zo genoten als toen. Maar om niettemin te proberen iets van die sfeer rond het voetbal van toen terug te halen zie ik als een enorme uitdaging.”

Als vice-voorzitter van de FIFA heeft Johansson om die reden ook het voorzitterschap op zich genomen van het zogeheten comité Task Force 2000, waarvan ondermeer ook de Franse bondscoach Michel Platini deel uitmaakt. Het betreft een uitermate kritisch gezelschap dat betoogt dat het huidige voetbal, grotendeels gevoed door behoudende taktieken, tijdrekken en grove overtredingen, vaak nauwelijks nog om aan te zien is. Er wordt door de betrokkenen derhalve driftig gebrainstormd over de vraag hoe de consument, vooral op de tribune, in de toekomst weer tevreden kan worden gesteld.

Johansson: “Ik ben wat dat betreft voorzitter van een stimulerend gezelschap. Naast aanpasing van de spelregels en het terugdringen van overtredingen en het vandalisme denk ik persoonlijk dat een inkrimping van het aantal deelnemers aan de nationale competities, benevens nog meer internationale contacten tussen de clubs dan nu al het geval is, de kwaliteit van het produkt voetbal kunnen verhogen. Het publiek eist dat ook in deze moderne tijd. Voor lokale of kleinschalige belangen is geen plaats in een futuristisch denken. Hoewel ik mijn hart graag ophaal bij een wedstrijdje van de jeugd. Aanpassing van een aantal zaken hoeft nog geen afschaffing van het voetbal op bepaalde niveau's te betekenen. Maar we moeten van een star denken af dat nieuwe ontwikkelingen in de weg staat. Ook moeten er in de toekomst professionele scheidsrechters komen. Want wat is momenteel het geval in een voetbalwedstrijd? Er stappen tweeëntwintig profs het veld op en één amateur. Een scheidsrechter moet op zijn minst zo goed gehonoreerd worden dat hij zich voor een belangrijke wedstrijd of een groot toernooi vrij kan maken van zijn werk om zich ongestoord te kunnen voorbereiden.”

Johansson, getrouwd en vader van twee volwassen kinderen, is optimistisch over de toekomst van het voetbal. Ondanks de turbulente ontwikkelingen in Europa, waar steeds meer staatjes en clubs staan te dringen om deel uit te mogen maken van de UEFA-familie. Johansson: “Het gaat er om een soort balans te vinden tussen de belangen van de grote gevestigde voetballanden en nieuwkomers die vaak een gebrekkige infra-structuur hebben. Landen die weliswaar beweren dat ze professioneel voetbal spelen, maar daar strikt genomen domweg de mogelijkheden niet eens voor hebben.”

“In de Europa Cup en in de kwalificatieronden voor het EK zullen we door het grotere aantal deelnemers in de toekomst genoodzaakt zijn met voorronden te gaan spelen. Daar moeten we als bestuur officieel nog over beslissen. Maar er is vooral veel geld nodig om deze zaken goed te regelen. Zelfs een eventuele winst van het EK in Zweden wordt wat dat betreft onmiddellijk weer in het voetbal geïnvesteerd.”

Niet alleen door de rijk gevulde boetepot (een onschuldig afgestoken vuurpijltje op de tribunes kost de clubs in de Europa Cup toch al gauw tienduizenden Zwitserse francs) ook door neveninkomsten uit sponsoring en televisie en recette-afdracht van de clubs in de diverse Europese competities is de UEFA een steenrijke organisatie. In tegenstelling tot het IOC en de FIFA, die de verkoop van televisierechten hebben uitbesteed aan het Zwitserse sportmarketingbureau ISL, houdt de Europese Voetbal Unie de zaak het liefst in eigen beheer. Johansson is zich terdege bewust dat Europa het belangrijkste voetbalcontinent is als hij uitlegt: “We zijn als organisatie zo groot en machtig dat we dit soort essentiële zaken beslist niet uit hoeven te besteden. We maken wel gebruik van de know how van buitenstaanders. Maar op een selectieve wijze.”

Ten slotte het vandalisme. Zowel in Zweden zelf als daarbuiten is de vraag gerezen of het gastland van het EK wel voorbereid is op een invasie van in potentie gewelddadige en daardoor gevaarlijke supporters. Vooral wat het verouderde stadion van Norrköping betreft bestaan twijfels of de accomodatie wel geschikt is voor een beladen (supporters)interland als Duitsland-Schotland.

Johansson: “Nogmaals, ik sluit mijn ogen niet voor de werkelijkheid. Maar je kunt ook problemen maken wanneer ze er niet zijn. Ik gun iedereen het recht van het vrije woord maar ik denk dat het erg preventief zou kunnen werken wanneer de media wat terughoudender zouden zijn in hun publikaties op dit terrein. Werkloosheid, drugs, normvervaging in het algemeen, het vormen heus geen problemen die opgelost zijn wanneer we morgen stoppen met voetballen.”

“Wel heeft het voetbal een voorbeeld-functie. En ik denk dat er al het een en ander op dit gebied tot stand is gebracht. Als je wat het vandalisme betreft de situatie in Engeland vergelijkt met die van een aantal jaren geleden dan is die toch een stuk verbeterd. We hebben ons in Zweden op deze problemen goed voorbereid. Maar ik heb goede hoop dat de voetbalsport zal zegevieren. Want qua deelnemende landen biedt dit EK het beste wat Europa op voetbalgebied te bieden heeft.”