Springop

Toen ik vorige week de tuin van een vriendin bezocht, zag ik de moerbei terug die ons had aangezet er ook in onze tuin een neer te zetten.

Haar boom is nu zowat tien jaar oud en had honderden bloemen, kleine groen-en-witte bolletjes, die een gigantische moerbeioogst beloofden. Om de bloemen goed te zien moest je onder de bladeren kijken en terwijl ik dat deed drong er plotseling een verschrikkelijke waarheid tot mij door: deze bladeren zagen er heel anders uit dan de onze.

Dit nederige sujet, dat er nog maar een paar weken geleden uitzag als een naakt stokje in de grond, heeft nu een hele vracht bladeren die ik vol bewondering had zien ontstaan; ze hebben diepe insnijdingen met puntige uiteinden, in de verte herinnerend aan de fatsia. De tevredenheid waarmee ik ze had bekeken, herkende ik nu ineens als die van de onnozele in zijn knollentuin; met afgrijzen keek ik naar de onberispelijk hartvormige bladeren van de volwassen boom van mijn vriendin; het was duidelijk dat ik de verkeerde soort had gekocht, de witte en (voor mij, zij het niet voor zijderupsen) nutteloze Morus alba in plaats van de zwarte (M. nigra). Op het verwerken van de schok volgde een Eeyore-achtige berusting: natuurlijk, ik had het kunnen weten, als er twee soorten bestaan kon je er donder op zeggen dat ik de verkeerde zou krijgen, dat moest gebeuren.

Maar onze moerbei was afkomstig uit een gereputeerde kwekerij en had een etiket waar duidelijk op stond dat zij zwart was. Met een afgeplukt blad van de juiste boom aan het hart gedrukt ging ik naar huis en vergeleek: geen twijfel aan, ze waren heel anders. Tuin-encyclopedieën boden geen hulp: niets dan gejubel over de fraaie hartvormige bladeren van de zwarte moerbei.

Wat nu? De boom rooien? De kwekerij opbellen? Toen had ik de ingeving om er Christopher Lloyd op na te slaan en daar, zoals altijd, was het antwoord (in The Well-Tempered Garden): ""De bladeren van een volwassen moerbei zijn hartvormig (maar op jonge bomen hebben ze vaak diepe insnijdingen, meer als een vijgeblad).''

En waarachtig, toen ik onze boom - als die benaming niet te weids is - nauwkeurig van top tot teen bekeek, vond ik helemaal onderaan een blad dat geen insnijdingen had, hoewel de andere bladeren, ook aan dezelfde tak, onmiskenbaar vijgachtig waren. Ik vond zelfs een blad dat aan de ene kant van de hoofdnerf ingesneden en aan de andere kant hartvormig was. Eeyore was dus voorbarig geweest. Maar hoe komt zoiets? Is het alleen maar om onervaren tuiniers om de tuin en round the mulberry bush te leiden?

Een andere plant die wonderlijk met zijn bladeren omspringt, is klimop. Ziedaar een groot wereldraadsel waarvan ik het bestaan niet vermoedde, tot ik vorig najaar bovenop een muur iets ontdekte dat ik voor een nieuwe, exotische plant aanzag. Het groeide omhoog van de muur met een massa schildvormige donkergroene bladeren en trossen van kleine ronde bloemen; ze werden druk bezocht door bijen. Onlangs vond ik bij Eleanor Perényi een beschrijving van dezelfde belevenis: zij zag deze merkwaardige plant in Parijs en nam een paar heimelijk afgeknipte loten mee terug naar Amerika.

De stekjes gingen dood, maar ""later die zomer viel mijn oog toevallig op de klimop bovenop de muur van mijn moestuin. Kon het zijn? Ja waarachtig, de donkere overhangende ranken waren identiek aan wat ik in Frankrijk gezien had. (-) De lager groeiende klimop was de gewone soort met vijflobbige bladeren, en dat moet de reden zijn dat ik blind was geweest voor de verandering die zich daarboven had voorgedaan.''

Wanneer klimop bloeit worden niet alleen de bladeren anders, maar ook de naam; het wordt dan de niet-klimmende "arborescent ivy', struik-klimop -springop? Ondanks het lezen van een zeer gezaghebbend artikel over dit onderwerp door Ronald Whitehouse, een klimopspecialist, in het laatste nummer van Hortus (No 21, lente 1992), is mij niet veel duidelijker geworden hoe het allemaal in zijn werk gaat. Het verschijnsel beschrijven is niet moeilijk: klimop is dimorph, wat betekent dat dezelfde plant twee vormen voortbrengt: de eerste soort is de jeugdvorm, de tweede variant, die bloemen voortbrengt, is de volwassen vorm. Wat moeilijk is te begrijpen is wat de eerste vorm ertoe beweegt over te gaan in de tweede, als en wanneer dat gebeurt (sommige klimop blijft hardnekkig in de jeugdvorm, terwijl andere onder dezelfde omstandigheden in de bloei der volwassenheid overgaat).

Vanuit tuiniersoogpunt doet de vraag waarom klimop er deze perversiteit op nahoudt er natuurlijk nauwelijks toe: het gebeurt, of het gebeurt niet. Je kunt zeggen, vanuit een praktisch oogpunt, dat de klimop vermoedelijk zal bloeien wanneer hij de bovenkant van de muur bereikt, of wanneer hij zowat dertig jaar oud is (hij kan ook bloeien wanneer hij als bodembedekker gebruikt wordt).

De verklaring die Ronald Whitehouse geeft, over de onevenwichtige bevoorrading in sappen en hormonen van bladeren die de zon bereiken en daardoor in een andere vorm groeien, werpt voor mij, met mijn beperkte kennis van de biologie, nogal wat vragen op waar ik me liever niet aan waag; het geeft van die sapstromen binnen de klimopstengels een beeld als van de Schipholtunnel terwijl er werk in uitvoering is en laat je met het vreemde gevoel achter dat het voor een plant veel moeilijker is om bladeren met insnijdingen voort te brengen. Waar is mijn moerbei eigenlijk mee bezig?

Het wonderlijkste van alles is dat de volwassen vorm van de klimop een totaal andere plant lijkt te zijn: een stek ervan zal doorgaan te groeien als struik-klimop, waaruit je zou kunnen concluderen dat de jeugdige vorm eenvoudig gemist zou kunnen worden en overbodig is. In zekere zin is dat natuurlijk niets nieuws: ook Eva kan worden beschouwd als een stek die van Adam genomen werd, ook zij had geen jeugdvorm (het treft me nu als nogal treurig dat Eva nooit kinderjaren heeft gekend - dat geldt trouwens ook voor Pallas Athene en zelfs voor Adam, als je er bij stil staat). Het stemt tot dankbaarheid dat deze methode van vermeerdering bij de mensheid in vergetelheid is geraakt: hoe droevig zou het gesteld zijn in de wereld als er geen seks en geen jeugdvormen bestonden.