Sleutel voor vrede in handen van president Servië

LJUBLJANA, 6 JUNI. De Servische president, Slobodan Milosevic, heeft vriend en vijand weer eens verrast met zijn aanbod af te treden als dat tot een opheffing van de sancties tegen Joegoslavië zou leiden. Maar zoals zo vaak met de verrassingen die Milosevic met enige regelmaat uit zijn hoed tovert, heeft ook deze verrassing weinig om het lijf. De sancties zijn namelijk niet - althans niet formeel - bedoeld om Milosevic tot aftreden te dwingen. Hij mag best blijven: wat de wereld wel van hem verwacht is dat hij het Joegoslavische leger terugroept uit Bosnië en de militaire, financiële en logistieke steun aan de Servische milities in Bosnië staakt.

En daarvan wil de Servische president niets horen. Hij ontkent dat Servië betrokken is bij de oorlog in het buurland. Eind april bedacht hij daarvoor zelfs een grote weggeeftruc. Het Joegoslavische staatspresidium, waar zijn politieke vriend Borisav Jovic de dienst uitmaakt, gaf toen het bevel over de federale troepen in Bosnië op en vroeg de drie etnische groepen “verstandig met het leger om te gaan”. De "overdracht" had echter plaats nadat eerst de Kroatische en moslim-officieren afkomstig uit Bosnië uit het leger waren verwijderd. Zij liepen daarop massaal over naar de Territoriale Verdediging van Bosnië of gingen met pensioen. Het eindresultaat: de Servische officieren die het monopolie kregen over de troepen gingen door met dat wat ze de afgelopen maanden steeds gedaan hebben: vechten, en wel schouder aan schouder met de Servische milities. Niemand is daarom verbaasd dat de federale troepen al snel werden omgevormd tot “het leger van het Servische volk in Bosnië”, dat in de Servische media kortweg het "Servische leger' wordt genoemd.

Milosevic had waarschijnlijk de zaterdag uitgeroepen boycot kunnen voorkomen door het bevel over de federale troepen in Bosnië over te dragen aan het Bosnische staatspresidium, maar dat deed hij niet. Nu probeert Belgrado de wereld er opnieuw van te overtuigen dat het geen controle meer heeft over de Servische troepen en de milities in Bosnië. Bleef immers de oproep van Branko Kostic, de vice-voorzitter van het staatspresidium die dinsdag de Serviërs vroeg de beschieting op Sarajevo te staken en het vliegveld over te dragen aan de VN-vredesmacht, niet zonder effect?

Er hoeft echter niet aan getwijfeld te worden dat het hier om gespeelde onmacht gaat. Het gaat er niet om of het regime in Belgrado elk militielid controleert. Dat is zeker niet het geval. In Bosnië vechten op dit moment verschillende legertjes die door niemand worden gecontroleerd. Maar dat betekent niet dat Belgrado machteloos staat tegenover het geweld in Bosnië. Het Servische regime heeft wel degelijk de mogelijkheid een beslissende rol te spelen in de oorlog in deze republiek.

Het is inmiddels te laat om het bevel van de voormalige federale troepen alsnog over te dragen aan het Bosnische staatspresidium. De overgebleven Servische officieren zullen de moslim Alija Izetbegovic niet als hun opperbevelhebber accepteren. Maar Belgrado kan de naar schatting 80.000 manschappen wel terugroepen en ontwapenen. De etnische Serviërs in het leger, volgens Belgrado 90 procent van de manschappen, kunnen dan ongewapend naar hun woonplaatsen terugkeren.

De kans bestaat natuurlijk dat een groot deel van de officieren en manschappen zou weigeren aan zo'n bevel gehoor te geven. Belgrado kan dan toch de vrede in Bosnië een flinke stap dichterbij brengen: door de geldkraan dicht te draaien. De Bosnische Serviërs hebben namelijk zelf niet de financiële middelen een 80.000 man sterke troepenmacht en hun gevechtsoperaties te financieren. Wanneer Belgrado de wapen- en munitieleveranties aan de milities stopzet ontstaat een kans op een werkzaam bestand en een begin van politieke onderhandelingen.

De vrede in Bosnië is dus in theorie niet zo ver weg als de dagelijkse journaalbeelden doen vermoeden, ware het niet dat Milovic blijft weigeren de voormalige federale troepen uit Bosnië terug te roepen. Hij motiveert die weigering met de vrees dat een terugtrekking “de zekere dood van de Servische broeders en zusters in Bosnië zou betekenen”. Dat argument is echter niet steekhoudend. Ook nadat de federale troepen zich uit Bosnië hebben teruggetrokken hebben de Servische milities nog voldoende wapens om zichzelf en de 1,5 miljoen Serviërs te beschermen. Zij zullen echter wel gedwongen zijn hun allesvernietigende offensief te staken en ze zullen zich waarschijnlijk moeten terugtrekken in de regio's waar zij de grootste bevolkingsgroep vormen.

De sleutel tot de vrede in Bosnië ligt in handen van Milosevic. Als hij zijn handen van de Servische milities aftrekt, zullen die heel wat meer bereidheid tonen de gevechten te beëindigen en serieus met de Kroaten en de moslims te onderhandelen over een politieke oplossing voor het conflict. Het moet ook het regime in Belgrado duidelijk zijn dat zolang de Serviërs in Bosnië door de steun van de federale troepen een militair overwicht op het slagveld hebben, ze onredelijke eisen zullen blijven stellen, die voor de Kroaten en moslims onaanvaardbaar zijn. De Serviërs, 32 procent van de bevolking van Bosnië, eisen 70 procent van het grondgebied van de republiek voor zich op. Elke gemeente met meer dan 30 procent Servische inwoners moet volgens hen onder Servisch bestuur komen. Gezien de huidige verhoudingen valt niet te verwachten dat de komende staakt-het-vurens resultaat zullen hebben.