Planbureau geeft onthullend beeld verzorgingsstaat

ROTTERDAM, 6 JUNI. Begint het Centraal Planbureau een kruistocht tegen de Nederlandse overlegeconomie en verzorgingsstaat? De uitkomsten van de toekomstverkenning voor Nederland die gisteren aan het licht is gekomen werken die indruk in de hand. Forse ingrepen in de sociale zekerheid worden gekoppeld aan een forse groei van de wereldhandel. Het resultaat: het aantal werkenden in Nederland groeit als kool. In het scenario waarin met de sociale zekerheid wordt doorgemodderd blijft de wereldhandelsgroei daarentegen uiterst beperkt. De werkgelegenheid stagneert.

Zo blijft een essentiële vraag onbeantwoord. Is de grondige hervorming van de sociale zekerheid, zoals opgenomen in het gunstige scenario Balanced Growth, haalbaar bij een minder rooskleurige wereldhandelsgroei? Immers, juist omdat de welvaart in Europa en Nederland in dit scenario gestaag toeneemt, komt er geld beschikbaar om een sober maar toch niet onaanzienlijk basisinkomen voor alle volwassenen in te voeren. En als dit leidt tot een forse groei van het aantal nieuwkomers op de arbeidsmarkt (alle verdiensten mogen nu immers behouden worden), dan vinden zij moeiteloos werk omdat de economische groei voor zoveel arbeidsplaatsen zorgt.

Deze vraagtekens nemen niet weg dat de analyse die het Centraal Planbureau van de Nederlandse verzorgingsstaat geeft onthullend en verontrustend is. Gemiddeld vloeit 60 procent van een loonsverhoging (inclusief werkgeverslasten) naar de collectieve sector. Deze marginale wig is nog hoger voor lagere inkomens en alleenverdieners. Bij ziekte ondervindt noch de werknemer, noch de werkgever een direct financieel nadeel; het CPB spreekt van een “internationaal uitzonderlijke situatie”. Werkloosheids- en bijstanduitkeringen zijn in internationaal perspectief hoog. Partners van kostwinners met een bijstandsuitkering werken niet, omdat ze er niets van over houden.

De nieuwe toekomstverkenning voor Nederland borduurt voort op het rapport Scanning the future dat het CPB in mei publiceerde. Daarin werden vier scenario's onderscheiden. Het vierde, Global Crisis, ontbreekt in de Nederlandse verkenning, omdat het verschil met Global Shift wat Nederland betreft marginaal zou zijn. En inderdaad, Global Shift, waarin een stagnerend Europa geheel wordt overvleugeld door de snelle Aziatische groeiers (inclusief Japan) en door Noord-Amerika (waar de korte termijn weer plaatsmaakt voor lange termijn-visies), schetst voor Nederland een uiterst somber scenario.

In wezen is het scenario Global Shift simpel: wat het kabinet ook probeert met de sociale zekerheid, de "sociale partners' en de door hen gedomineerde uitvoeringsorganisaties staan een echte afslanking in de weg. Onduidelijk blijft echter of de economische groei stagneert door het vastlopen van de verzorgingsstaat, of omdat in dit scenario de wereldhandelsgroei zo beperkt is (minder dan in 1974-1990). Als er dan in het jaar 2005 meer dan twee miljoen arbeidsongeschikten en werklozen zijn moet het mes erin. De uitkeringen gaan nu, in één klap, fors omlaag. De wal keert het schip.

Interessanter, maar ook verwarrender, is het scenario Balanced Growth. Forse bezuinigingen door het Rijk op uitgaven voor bestuur, op subsidies en op defensie (waar het personeelsbestand wordt gehalveerd en de dienstplicht wordt afgeschaft) leveren flink wat geld op. Daar staan hogere uitgaven voor infrastructuur en onderwijs tegenover. De basisaftrek in de loon- en inkomenstenbelasting is niet langer overdraagbaar; de fiscale aftrek van de hypotheekrente wordt, evenals het huurwaardeforfait, afgeschaft.

In dit scenario wordt - geleidelijk - voor alle volwassenen een basisinkomen ingevoerd, in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting. Een revolutionaire gedachte die, tien jaar nadat zij in diverse kringen opgeld deed, nu door het CPB nieuw leven wordt ingeblazen. Het gaat om een sober basisinkomen: weliswaar qua koopkracht gelijk aan het sociale minimum voor alleenstaanden in 1990, maar daarbij moet worden bedacht dat in dit scenario het reële nationale inkomen in 2015 meer dan verdubbeld is. Omdat de meeste uitkeringen tezijnertijd verdwijnen moeten allen die niet kunnen werken (arbeidsongeschikten na twee jaar) van dit basisinkomen rondkomen.

European Renaissance is van de drie scenario's waarschijnlijk het meest realistisch. De verzorgingsstaat blijft in dit scenario in wezen gehandhaafd, al volgen de uitkeringen de lonen op afstand (jaarlijks een verschil van kwart procent). Het kabinetsbeleid om het aantal uitkeringen te beperken wordt, anders dan in Global Shift, nu wèl door de sociale partners geschraagd. Ze werken zelfs enthousiast mee. Omdat de wereldhandelsgroei in dit scenario, vergeleken met de andere twee, een middenkoers vaart, blijft het stelsel van sociale zekerheid betaalbaar. In wezen laat dit scenario zien hoezeer de crisis die in Global Shift optreedt (mede) wordt veroorzaakt door de veronderstellingen inzake de wereldeconomie.