OPKOMST EN ONDERGANG VAN EEN BOERDERIJ-VORSER

Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek in Nederland 1914-1934 door E. L. van Olst 2 delen, 620 plus 821 blz., geïll., Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek 1991, f 240,- ISBN 90 70103 13 3 (te bestellen bij SHBO, 085-576222)

Klaas Uilkema moet een opzienbarende verschijning zijn geweest toen hij tussen 1920 en 1934 met zijn Harley Davidson Nederland doorkruiste om traditionele boerderijen tot in detail op te meten, te fotograferen en te beschrijven. Hoewel hij autodidact was, had hij van een groep Leidse hoogleraren, waaronder D. van Blom, A. S. de Blécourt en Johan Huizinga opdracht gekregen om de boerderij-ontwikkeling van geheel Nederland te bestuderen. Het onderzoek had in een grote standaarduitgave moeten resulteren. Door allerlei omstandigheden is het er nooit van gekomen. Maar met het verschijnen van Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek in Nederland 1914-1934, de handelseditie van een in december 1991 te Leiden verdedigd proefschrift van Ellen van Olst, is dit levenswerk nu alsnog toegankelijk gemaakt.

Historisch boerderij-onderzoek is een belangrijke discipline. Boerderijen zijn immers de gebouwen waarin eeuwenlang de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking haar leven doorbracht. In al hun verschijningsvormen zijn ze materiële bronnen die niet alleen inzicht geven in de agrarische geschiedenis, maar ook licht werpen op continuïteit en veranderingen van het alledaagse bestaan. Sinds de industrialisatie in de negentiende eeuw zijn ontelbaar veel historische boerderijen in Nederland verloren gegaan. Uilkema was van dit alles diep doordrongen, en hij groeide uit tot de belangrijkste documentalist op dit terrein die ons land heeft gekend.

RANCUNE

Klaas Uilkema werd geboren op 2 oktober 1873 in het gehucht Het Hofland in de lage, waterrijke veenweidestreek in het hart van de provincie Friesland. Het ging in deze jaren - de Friese zuivelproducenten voor de wind. Daarom behoorde in het verlichte boerenmilieu waarvan de Uilkema's deel uitmaakten, zelfs een universitaire opleiding voor een begaafd kind tot de reële mogelijkheden. De lichamelijk wat minder sterke, maar leergierige Klaas leek de aangewezen persoon om de sociale status van de familie door een intellectuele loopbaan te verhogen.

De landbouwcrisis van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw gooide echter roet in het eten. Het ouderlijk bedrijf werd zienderogen kleiner en werd in 1905 zelfs in het openbaar verkocht. De universiteit was voor Klaas nu uitgesloten. Hij ging naar de (kosteloze) Rijksnormaalschool in Leeuwarden en werd onderwijzer.

Ondanks het feit dat hij in korte tijd de hoofdakte en de akte voor landbouwonderwijzer behaalde, raakte Uilkema al snel volkomen gefrustreerd. Hij was de maatschappelijke achteruitgang van zijn ouders en het opgeven van zijn eigen toekomstplannen nooit geheel te boven gekomen. Hoewel het lesgeven op zich hem goed lag, kwam hij bij voortduring in botsing met de autoriteiten. Hij was lichtgeraakt en soms rancuneus jegens mensen die meer invloed bezaten of meer opleiding hadden genoten dan hijzelf.

Door zijn soms ongebreidelde felheid en gebrek aan diplomatie escaleerden conflicten doorgaans al snel. Hij vluchtte in andere interesses. Tijdens de wintermaanden begon Uilkema in de avonduren landbouwcursussen te verzorgen, die voor een noodzakelijke aanvulling op zijn lage wedde zorgden. Daarbij maakte hij - voor die jaren een noviteit - gebruik van lichtbeelden, nam zijn leerlingen mee het veld in voor botanisch onderzoek, organiseerde excursies naar moderne bedrijven, en ontpopte zich als een enthousiast voorstander van landbouwkundige vernieuwingen. Een door hem samengesteld lesprogramma over het rund leverde hem in 1913 zelfs een gouden medaille op bij de Internationale Landbouwtentoonstelling in Den Haag.

De stap van de moderne boerderij naar de oudere gebouwen was maar klein. Toen hem het verzoek bereikte om zijn ideeën over de Friese boerderij-ontwikkeling wat uitvoeriger op papier te zetten, begaf hij zich definitief op dit nog grotendeels braakliggende onderzoeksveld. De hieruit voortvloeiende uitgave, Het Friesche boerenhuis, kreeg landelijke aandacht en werd alom geprezen. Hiermee was Uilkema's entree in wetenschappelijke kring verzekerd, maar zijn met rancune vermengde ontzag voor de academische wereld en zijn angst om hier door gebrek aan vooropleiding niet voor vol te worden aangezien, zouden nooit worden weggenomen.

In 1917 maakte Uilkema kennis met de Leidse professor Van Blom, die zich in zijn vrije tijd met volkskundig onderzoek op de Waddeneilanden bezighield. Van Blom was onder de indruk van Uilkema's deskundigheid en gedrevenheid. Bovendien paste de Friese boerenzoon in de verwezenlijking van een oud ideaal: een landelijk boerderij-onderzoek, professioneel verricht, als eerste stap in de richting van een volkskundig totaalonderzoek van Nederland.

Van Blom wist in Leiden een groep hoogleraren bijeen te brengen die bereid was hem in dit plan te steunen. Hoewel tegen de niet-academicus Uilkema als uitvoerder in universitaire kringen grote weerstand bestond, wist Van Blom zijn collega's te overtuigen dat hij in deze onderwijzer de aangewezen man had gevonden voor de taak. Uiteindelijk was ook de in Leiden gevestigde Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde bereid het project onder haar vleugels te nemen. In 1920 ging Uilkema van start.

STAMKENMERKEN

Het zuiver wetenschappelijk onderzoek naar de geschiedenis van de Nederlandse boerderij dateerde pas van rond 1900. Nederland was op dit punt, in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland of de Scandinavische landen, betrekkelijk laat. De aanzet kwam uit de volkskundige hoek, waar de oude landelijke bouwkunst in navolging van Duitse romantische stromingen werd gezien als bron van gegevens voor het "volksstammenonderzoek'. De boerderijen werden daarbij beschouwd als dragers van oeroude cultuurhistorische kenmerken, die mogelijk nog zouden kunnen worden teruggevoerd tot de bevolkingsgroepen die zich ooit in het land hadden gevestigd.

Deze visie werd in Nederland geïntroduceerd door de Utrechtse hoogleraar in de Germanistiek, J. H. Gallée. Hij was ervan overtuigd dat de oorspronkelijke "stamkenmerken' het best bewaard waren gebleven in de landelijke bouwkunst. Gallée publiceerde in 1907-1908 Het Boerenhuis in Nederland en zijn Bewoners. In deze studie werd de Nederlandse boerderij ingedeeld in een aantal hoofdtypen, waarvan de verspreiding in grote lijnen zou overeenkomen met de oorspronkelijke bewoningsgebieden van de Friese, Frankische en Saksische volksstammen; in Zuid-Limburg zou de boerderijvorm sterk door de Romeinen beïnvloed zijn. Deze stamgebonden visie zou een taai leven gaan leiden.

Een tweede impuls voor het boerderij-onderzoek in Nederland ging uit van kringen die zich bezorgd maakten over de verdwijnende schoonheid van Nederland. De oprichting in 1912 van het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, was daarvan een duidelijke uiting.

Tegen deze achtergrond verscheen Uilkema's studie van het Friese boerenhuis. Als eerste bestudeerde hij de Nederlandse boerderijen louter omwille van het vergroten van de kennis van het object zelf. Bij alle eerdere auteurs had onderzoek in het teken gestaan van een wetenschappelijk doel of van regionaal chauvinisme. Uilkema richtte zich bij zijn onderzoek - en hierin stond hij lijnrecht tegenover Gallée - bij uitstek op het traceren van ontwikkelingen en niet op de statische aspecten. In zijn visie was de boerderij-ontwikkeling een logisch verlopend organisch proces van voortdurende verbetering en aanpassing van het gebouw aan de zich wijzigende bedrijfsomstandigheden. Zelf gebruikte hij in dit verband vaak het woord "boerderij-evolutie', waarmee hij verwees naar de in zijn tijd populaire Darwinistische theorieën.

De logica achter deze "evolutie' zocht Uilkema in de functionalistische en bedrijfstechnische hoek. Voor hem was de boerderij in essentie een bedrijfsgebouw; aan wooncultuur besteedde hij slechts weinig aandacht. Het sprak voor hem vanzelf dat iedere wijziging aan een boerderij in eerste instantie een landbouwkundige of economische oorzaak moest hebben.

Ook wat betreft de te gebruiken informatie volgde Uilkema een geheel eigen lijn. Zijn belangrijkste bron was het gebouw zelf, waarbij de indeling van boerderij en de gebruikte bouwmaterialen, en ook zaken zoals omvang en samenstelling van de veestapel, soorten landbouwprodukten en hun verwerking van essentieel belang waren om het onderzochte gebouw te doorgronden.

PLAGGENHUT

Naast tekeningen was voor Uilkema de fotografie een belangrijk hulpmiddel. In totaal maakte hij voor zijn onderzoek ongeveer 3100 foto's waarvan zo'n 2250 in het veld. De foto's bestrijken een zeer breed scala van bouwkunst: zowel oude als nieuwe boerderijen, samengestelde complexen en enkelvoudige gebouwen, grote welvarende bedrijven en armetierige keuterijtjes. Daarnaast bestaat een niet gering deel van de collectie uit foto's van landarbeiderswoningen en plaggenhutten. In tegenstelling tot andere onderzoekers die de huisvesting van de sociale onderlagen vastlegden, had Uilkema's belangstelling echter geen maatschappelijke achtergrond. In de constructie van plaggenhutten hoopte hij slechts aanwijzingen te vinden voor primitieve bouwvormen die verloren waren gegaan.

Ook werd een belangrijke bron van gegevens gevormd door de mondelinge informatie. Uilkema raadpleegde tijdens zijn documentatietochten uitvoerig de bewoners van boerderijen en ook timmerlieden die reparatiewerk hadden verricht in oude gebouwen. Een andere, incidenteel geraadpleegde groep informanten waren de landlopers. Uilkema schreef daarover aan zijn begeleider professor Van Blom: ""Gesprekken met landlopers, waaronder merkwaardige geesten voorkomen, zijn bijzonder leerzaam. [...] Die landlopers, met een onvoorstelbaar aantal juiste voorstellingen, zijn vooral onschatbaar omdat ze zwerven langs de wegen en zich elk punt, elke schuur in de hersens prenten, die vroeg of laat hun, al dan niet clandestien, tot nachtverblijf kan strekken. [...] Deze gesprekken zijn inderdaad nuttiger dan die met de boeren, die alleen hun eigen omgeving kennen (met een radius van ca. 2 uren) en voor wie vroeger is de tijd, waarin grootvader leefde. Een landlopershoofd is een depot van vele evolutiestadia.''

De verkenningstochten die Uilkema maakte met zijn fiets of motor waren, gezien de gebrekkige infrastructuur van het Nederlandse platteland, een gigantisch pionierswerk. Onder de vele boerderijen die hij documenteerde, bevonden zich verscheidene exemplaren van ook toen al zeldzame (en nu geheel verdwenen) huisvormen. Zo documenteerde hij onder meer enkele van de laatste Schouwse stolpen, de twee laatste Drentse booën en twee voorbeelden van het oud-Friese langhuistype.

Tijdens zijn onderzoek ontwikkelde Uilkema bovendien allerlei nieuwe en voor zijn tijd soms zeer revolutionaire theorieën over de boerderij-ontwikkeling in de verschillende delen van het land. Zo ontdekte hij dat de Limburgse gesloten hoeve, anders dan men sedert Gallée aannam, niet moest worden beschouwd als een herinnering aan de oude Romeinse villa, maar integendeel het produkt was van een geleidelijke en betrekkelijk recente ontwikkeling.

Al snel bleek echter dat de opzet van het project veel te ambitieus was om het in drie jaar te kunnen afronden. Toen na de geplande termijn de beschikbare financiën waren uitgeput, slaagde Uilkema er in het onderzoek nog verscheidene jaren voort te zetten, aanvankelijk op eigen kosten en later gesteund door een nieuwe subsidiegever, het Fonds Landbouw Export Bureau te Wageningen. Maar misverstanden over de geplande uitgave en conflicten over de duur van het project leidden ten slotte tot onoplosbare problemen.

CRISIS

Vooral na 1930 stapelden de moeilijkheden zich op: deskundigen uit Wageningen lieten zich negatief uit over hetgeen tot dan toe op schrift was gesteld, en door het overlijden van zijn vrouw en overspannenheid, geraakte Uilkema in een persoonlijke crisis. Professor Van Blom, die inmiddels te Leiden rector magnificus was geworden, lukte het niet meer door tact en diplomatie balsem te smeren op alle wonden. In 1934, veertien jaar na het veelbelovende begin van het onderzoek, trok Uilkema zich gedesillusioneerd uit het samenwerkingsverband terug.

Tot een officiële uitgave zou het niet meer komen. Slechts een klein gedeelte van het materiaal, over de provincies Limburg, Noord-Brabant en Noord-Holland, werd door hem zelf in een gestencilde uitgave vastgelegd en in een kleine oplage verspreid. Dit deed de achterdochtige Uilkema om zijn auteursrechten te claimen. Het documentatiemateriaal, de aantekenboekjes, de foto's en de opmetingstekeningen, verdween in verzegelde kisten naar de zolder van zijn huis. Pogingen om het onderzoek nieuw leven in te blazen, stuitten op zijn afwerende houding. Zelfs brieven van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen bleven onbeantwoord. De Leidse hoogleraren overwogen nog even juridische stappen te ondernemen, maar bij nadere bestudering bleek het contract met Uilkema zo gebrekkig opgesteld dat daarvoor geen aanknopingspunten waren. Al het onderzoeksmateriaal belandde na enige omwegen in de jaren vijftig bij het Nederlands Openluchtmuseum, dat het vervolgens bij de Stichting Historisch Boerderij-onderzoek deponeerde.

Achteraf bezien is het wellicht een gelukkige speling van het lot dat niet Uilkema zijn levenswerk voltooid heeft, maar dat zijn buitengewoon waardevolle collectie pas na ruim een halve eeuw gepubliceerd is. De bouwkundige Van Olst heeft namelijk meer uit het verzamelde materiaal gehaald dan Uilkema zelf gedaan zou kunnen hebben. In tegenstelling tot Uilkema is zij wel op de hoogte van de wetenschappelijke stand van zaken op dit terrein. Nadeel is evenwel dat Van Olst blijkbaar zo is opgegaan in het leven, de achtergrond en de onderzoeksresultaten van Uilkema, dat het in de thans voorliggende publikatie niet altijd even duidelijk is of zij, dan wel Uilkema aan het woord is.

Met haar studie (waarin naast een biografische schets en een bespreking van Uilkema's methodologie ook zijn volledige documentatie is opgenomen) toont Van Olst desalniettemin duidelijk aan dat de invloed van de Friese onderwijzer groot is. Hij heeft het studieterrein van het boerderij-onderzoek definitief bevrijd van puur architectonische, danwel volkskundige vraagstellingen. Mede door zijn werk ontstond er een principiële accentverschuiving waardoor de statische visie van romantici werd ingeruild voor een dynamischer en rationeler benadering van boerderij-geschiedenis.

Van Olst heeft dit in een uitermate boeiend relaas vastgelegd. Haar boek is volgens het persbericht ""het dikste proefschrift ooit in Nederland geschreven'', en met bijna 6 kg waarschijnlijk ook het zwaarste.