OP DE BRES VOOR ALMA MATER

The Idea of the University. A Reexamination door Jaroslav Pelikan 238 blz., Yale University Press 1992, f 74,20 ISBN 0 300 05725 3

Het is tegenwoordig niet uitzonderlijk meer als een student tijdens een mondeling tentamen plotseling opstaat en met een hartelijk gemeend ""Nou doei! Ik moet naar m'n werk, hoor'' richting zwartbetalend horeca-lokaal vertrekt. Verbazingwekkend misschien, maar niet uitzonderlijk.

Het is niet verbazingwekkend meer als universitaire hoorcolleges verzanden in een chaos van rondwandelende en papieren vliegtuigjes gooiende studenten die het einde van de voordracht met een bevrijdend gejoel verwelkomen. Opmerkelijk misschien, maar niet verbazingwekkend.

Het is niet opmerkelijk meer als docenten, wier tijdelijke 0.22 aanstelling zojuist voor de negende maal is verlengd, besluiten de uitslag van een examen zo aan te passen dat slechts een kwart van de studenten een onvoldoende krijgt, omdat anders hun eigen baan in gevaar komt. Zonderling misschien, maar niet opmerkelijk.

Het zijn de rafelrandjes van het moderne wetenschappelijk onderwijs waarover men zich gemakkelijk vrolijk maakt. Het zijn uitwassen waarover het gemonkel klinkt van oude mannen die menen dat alles vroeger beter was. Maar tegelijkertijd zijn het wel degelijk ook symptomen van de heuse crisis waarin de universiteiten zijn verzeild. En niet alleen in Nederland, en niet sinds vandaag of gisteren. Overal waar de afgelopen decennia dezelfde schaalvergroting van wetenschappelijke opleidingen plaatsvond, wordt gekampt met het probleem hoe te balanceren tussen toegankelijkheid en kwaliteit. De Westerse wereld is terecht trots op de massale toestroom naar de universiteiten, maar moet met lede ogen toezien hoe die instellingen in hun eigen succes verstikken.

"MOREEL VERRAAD'

In ons land is de remedie gezocht in organisatorische aanpassingen: de twee-fasen structuur, nieuwe "algemene' curricula, het "brugjaar' voor aio's, de post-doctorale opleidingen, de onderzoeksinstituten. Het zijn oplossingen vooral die geïnspireerd zijn door de opzet van de Amerikaanse universiteiten. En dat is in zekere zin ironisch, want juist aan gene zijde van de oceaan klinkt al jarenlang luid geweeklaag over de eigen tempels van wetenschap.

En dat gaat niet in omfloerste termen: bij voorkeur wordt melding gemaakt van "de dreigende ondergang', dan wel "het morele verraad' van het hoger onderwijs. Recente voorbeelden van dat soort niet altijd even subtiele diagnoses zijn The Closing of the American Mind. How Higher Education has Failed Democracy and Impoverished the Souls of Today's Students van Allan Bloom uit 1987 en The Moral Collapse of the University van Bruce Wilshire uit 1990.

Maar er verschijnen in de VS ook publikaties over het wetenschappelijk onderwijs die meer bieden dan alleen ophef. Vorig jaar nog was er een special van Partisan Review waarin onder de titel "The Changing Culture of the University' een mooi overzicht van de problematiek werd geboden. Enige tijd geleden publiceerde Arthur M. Schlesinger een essay over de huidige dwangneurose van ""politically correct education'', waardoor de geschiedenis volgens hem vervalst wordt tot ""groepstherapie voor minderheden'', hetgeen deze bedaagde senior liberal plotsklaps tot het middelpunt van verhitte controverses maakte. En recent verscheen een even gepassioneerd als tot nadenken stemmend boek van Jaroslav Pelikan, de gelouterde hoogleraar geschiedenis aan de Divinity School van Yale University en schrijver van het beroemde vijfdelige The Christian Tradition.

Pelikan wil het in zijn The Idea of the University niet zozeer hebben over de bezuinigingen, de politieke bemoeienis van links of rechts, de grillige woekering van modieuze studierichtingen. Dat zijn volgens hem rimpelingen aan de oppervlakte. Veel belangrijker acht hij de fundamentele vragen die daardoor aan het oog onttrokken worden: waartoe bestaan universiteiten eigenlijk, wat zijn de leidende principes van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, wat is de rol van Alma Mater in de moderne samenleving?

Het zijn vragen die gemakkelijk kunnen voeren tot ronkende nietszeggendheid, maar Pelikan heeft een originele invalshoek gevonden die hem met beide benen op de grond houdt. Hij probeert nauwgezet te bepalen in hoeverre het 140 jaar oude tractaat van John Henry Newman, The Idea of a University, nog relevant is voor onze tijd.

Newman is niet alleen de beroemdste Engelstalige theoloog van de afgelopen eeuwen, maar hij leidde tussen 1801 en 1890 bovenal ook een leven als "homo academicus'. Als zestien-jarige kwam hij naar de universiteit van Oxford, waar hij noodgedwongen afscheid nam in 1846, kort nadat hij katholiek was geworden. Roomsen werden slechts getolereerd in Oxford of Cambridge als zij zich schriftelijk schaarden achter de Anglicaanse principes. Vandaar dat plannen rezen om in Dublin een Katholieke Universiteit te stichten. Newman werd rector magnificus en vrijwel als eerste daad gaf hij een serie van negen lezingen over aard en functie van Alma Mater. Gebundeld als The Idea of a University (1852) zijn ze wereldberoemd geworden, zo beroemd dat onlangs nog ergens te lezen was dat ""het hedendaagse denken over hoger onderwijs niet meer is dan een reeks voetnoten bij de essays van Newman''.

Die faam is vooral te danken aan het feit dat de diep-religieuze Newman probeerde een strikt liberaal standpunt inzake wetenschap te verenigen met zijn eigen dogmatische geloofsovertuigingen. Het doel van hoger onderwijs was volgens hem immers ""intellectueel, niet moraal-theologisch'', het ging slechts om onafhankelijke kennis, omwille van de kennis zelve: ""liberal knowledge, which stands on its own pretensions, and expects no complement''.

Newmans zag als belangrijkste taak van de universiteit de opvoeding in de "intellectual virtues': niet alleen vrijheid van geest, maar ook eerlijkheid, discipline, nederigheid en moed, vertrouwen in de rationaliteit als leidend principe van argumentaties, het aanvaarden van de ondeelbaarheid van onderzoek, onderwijs en publikatie, en het instandhouden en verspreiden van wetenschappelijke kennis. Zo zou de universiteit een mens creëren ""who has learned to think and to reason and to compare and to discriminate and to analyze, who has refined his taste and formed his judgment, and sharpened his mental vision.'' Als vanzelf zou daardoor de samenleving als geheel op een hoger plan komen en zouden ook de noden van de minder bedeelden verlicht worden.

PADVINDERSHANDBOEK

Het klinkt allemaal, dat onderstreept ook Pelikan, een beetje als een padvindershandboek. Hij wijst erop dat dit deels komt door de hoop dat de universiteit van Dublin een kweekvijver zou worden van Ierse professionals and gentlemen tegelijk. Deels komt het ook doordat Newman een ideaalbeeld schetste waarin universiteit en kerk samensmolten tot een tempel van metafysische nobelheid.

Het belangrijkste is echter volgens Pelikan dat het Newman te doen was om de idee van de universiteit, om de tijdloze uitgangspunten, en niet om de alledaagse werkelijkheid, die zo vaak sterker blijkt dan de leer. Dat ondervond Newman zelf ook toen hij na acht jaar de post van rector opgaf na eindeloze tegenwerking van de Ierse aartsbisschop.

Vanuit dat perspectief betoogt Pelikan dat Newmans idee van de universiteit nog steeds niet aan waarde heeft ingeboet. Wat meer is: het is volgens hem urgenter dan ooit Newmans strijd te strijden. Zoals die streed tegen de utilitaristen van zijn tijd, wil Pelikan de barricaden beklimmen tegen de nuttigheidsdenkers en wetenschappelijke opportunisten van vandaag de dag.

Misschien komt het wel omdat hij net als Newman een gelovige is die verlossing zoekt in de wetenschap, maar het is Pelikan gelukt een betoog te schrijven vol oprechte passie en zonder een spoor van modern cynisme of reactionaire blaaskakerij. Hij is werkelijk bezorgd als universiteiten in zijn ogen verraad plegen door te bezuinigen op hun bibliotheken (""er is geen enkele instelling die belangrijker is voor de toekomst van onze culturele identiteit''). Hij wordt werkelijk boos als hij wetenschappers hoort klagen over het principe van "publish or perish" (""dit is helemaal geen terreur, maar de fundamentele imperatief van wetenschap als roeping!''). Hij windt zich werkelijk op als hij ziet dat geleerden onderling geen kritiek meer oefenen (""wetenschappers zijn alleen eerlijk als zij zich blootgeven aan correctie door anderen, en als zij zelf proberen nauwkeuriger en creatiever te zijn dan anderen''). Hij is serieus bedroefd over de teloorgang van schrijf- en spreekvaardigheid bij studenten (""Thought and speech are inseparable from each other: style is a thinking into language'', schreef Newman immers al). Hij sombert echt bij pleidooien voor drempelloze toegang tot het hoger onderwijs (""de illusie van "de universiteit voor iedereen' is een bedreiging van het democratisch ideaal'').

The Idea of the University is zo een hartekreet van iemand die ervan overtuigd is dat de wereld een betere plaats zou worden als de universiteiten rigoureus terugkeerden naar hun wortels: Alma Mater, moedervoedster, te zijn van geleerdheid en wetenschap. Hier schrijft een man die gelooft dat de beschaving ermee gediend is dat wij sine ira et studio, zonder vooroordeel of partijdigheid, kennis omwille van de kennis zelf vergaren en doorgeven aan volgende generaties, opdat die gevrijwaard worden van zelfoverschatting, ijdelheid en middelmatigheid.

Dat is mooi en enigszins ontroerend om te lezen, maar ik vraag mij af of de karavaan niet allang voorbij is getrokken aan de barricaden die Pelikan hier verdedigt.