Oorlogsproblematiek omvat soms vijf generaties

AMSTERDAM, 6 JUNI. Het onderzoek naar en de behandeling van oorlogsgetroffenen zou veel ruimer van opzet en intensiever moeten worden. Bij die problematiek gaat het namelijk niet alleen om directe overlevenden van de Tweede Wereldoorlog en hun kinderen, maar om een "transgenerationeel panorama' dat ten minste vijf generaties omvat. Tot de bepalers van de identiteit van oorlogsgetroffenen en hun kinderen behoren immers behalve de ouders, ook de grootouders en de voorvaderen.

Dat betoogde de Amsterdamse kinderpsychiater dr. D.J. de Levita (65) gistermiddag in een rede bij de aanvaarding van het - door de Stichting Kunstenaarsverzet 1942-1945 ingestelde - bijzondere hoogleraarschap in de transgenerationele oorlogsgevolgen aan de Katholieke universiteit in Nijmegen.

Prof. De Levita, die naar zijn zeggen een leerstoel bezet die nergens anders in de wereld bestaat, had zijn rede al vorig jaar willen uitspreken. Door een open-hartoperatie kon dat toen niet doorgaan. Inmiddels is hij hersteld en heeft hij voor Nijmegen, ook al zal hij daar maar heel weinig colleges geven, een ambitieus onderzoekprogramma in zijn hoofd. Hij wil dat daar ook studie wordt gedaan naar de groep waaruit de mensen voortkwamen die bij de oorlog waren betrokken. Daaruit zou dan duidelijk kunnen worden waarom de ene Nederlander zich in de oorlog als verzetsheld ontpopte en een ander met de vijand collaboreerde. De Levita vermoedt dat het te maken heeft met overgeërfde eigenschappen en aanleg. Ook wil hij uitzoeken of het klopt dat orthodox-religieuze joden zich in de jaren dertig zoveel beter bewust waren van de gevaren die hun van Duitse kant te wachten stonden dan bij geassimileerde joden het geval was.

In een gesprek voorafgaand aan zijn rede in Nijmegen, gaat de hoogleraar vooral in op de ervaringen die hij als psychiater heeft bij de behandeling van tweede-generatie oorlogsgetroffenen, waaronder ook enkele kinderen van NSB'ers. De trauma's van de tweede generatie zijn vaak nog veel ernstiger dan die van de eerste generatie, zegt hij. “Velen van hen zijn bijzonder ernstig gestoord. Bijna allemaal hebben zij enorm sterke woedegevoelens; niet tegen de Duitsers, maar tegen hun ouders. In de kind-ouderrelatie zie je dat wel vaker, maar door de oorlog heeft dat bij hen een extra zware lading. Ik merk dat zij soms geweldig jaloers zijn op wat hun ouders in de oorlog hebben meegemaakt en het ook vaak niet kunnen verkroppen dat zij in de oorlog in veiligheid zijn gebracht in plaats van het lot van hun ouders te heen gedeeld”.

Hoe erg deze tweede generatie eraan toe is, kan volgens De Levita blijken uit de classificatie van psychiatrische ziektebeelden die hij en studenten in de sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam hebben opgesteld. “Met die indeling, die zowel voor tweede- als voor derde-generatie oorlogsgetroffenen toepasbaar is, wil ik ook in Nijmegen aan de slag gaan. Ik denk dat dat bij uitstek de opdracht voor een kinderpsychiater is”.

Omdat veel kinderen van oorlogsgetroffenen veel ernstiger gestoord zijn dan hun ouders, vindt prof. De Levita het onbegrijpelijk dat minister d'Ancona van WVC op korte termijn een eind wil maken aan de mogelijkheid dat zij nog een beroep kunnen doen op de WUV, de Wet uitkering vervolgingsslachtoffers, een van de vele wetten voor verzetsdeelnemers en andere oorlogsgetroffenen en hun nakomelingen. De minister wil echter specifieke hulpverlening voor tweede-generatieslachtoffers niet zonder meer afbreken, maar desnoods nog verruimen. Daarom stelde zij een commissie samen om te onderzoeken hoe er, afgezien van de hulpverlening, toch een eind aan de uitkeringswet kan worden gemaakt. De Levita was een van de deskundigen die voor de commissie werden gevraagd. Hij zei er ja op, maar voelt zich enigszins misleid. Met het gevolg dat zijn geweten begon te knagen. Vorige maand hebben hij en twee anderen zich daarom uit de commissie teruggetrokken. De tweede-generatieproblematiek is naar zijn zeggen wel groot en omvangrijk, “maar dat betekent niet dat er veel mensen zijn die bij de WUV een beroep om materiële bijstand zouden willen doen. Naar mijn berekening gaat het om niet meer dan vijftig gevallen en dat kost de overheid niet meer dan één miljoen gulden per jaar. Gerekend naar de bijzondere solidariteitsverplichting die de Nederlandse samenleving tegenover de oorlogsgetroffenen op zich heeft genomen, kan dat beslist niet veel worden genoemd”, zegt hij geëmotioneerd.