Max

Max van Doorn was een jeugdvriend van Belcampo. De laatste studeerde medicijnen en Max van Doorn leerde voor tandarts.

Ik weet niet hoe het er vandaag de dag voor staat maar een huisarts moest ook kiezen kunnen trekken. Niet boren en al dat andere tandheelkundige gedoe maar gewoon: mond open en de gierende kies er uitrukken, krak. (Wat voor menigeen op het verlaten platteland een zegen was.) Dat kiezentrekken was een kunst die geleerd moest worden en Belcampo kwam op de afdeling tandheelkunde dan ook zijn vriend Max tegen die hem voordeed hoe dat trekken in zijn werk ging. Arme mensen met een rot gebit werden van de straat gehaald. Voor elke tand of kies die ze lieten trekken door de heren studenten, kregen ze een rijksdaalder.

Een mooi bedrag in de jaren twintig/dertig, de tijd van crisis en armoede. Max van Doorn vertelde me van een knappe jonge moeder die haar hele, gave gebit wilde laten trekken om haar vijf kinderen voor de honger te behoeden. Tweeëndertig tanden en kiezen wilde ze daarvoor opofferen. Stuk voor stuk even mooi als gaaf. Max weigerde. Ze smeekte hem, om Gods wil, toch ten minste vier kiezen te trekken, ze hadden in dagen geen eten gehad. Smartlap, maar waar gebeurd. Beide vrienden vonden de oplossing. Belcampo's linkerboven- en rechteronderverstandskiezen waren niet veel meer. Die kon hij best missen en Max, hoewel zijn leven doodsbang voor de tandarts, stond ook twee krakkemikkige kiezen af. Belcampo rukte ze bij Max er uit en Max die van Belcampo. Opbrengst tien gulden, waar Belcampo alhoewel toen ook al bekend om zijn zuinigheid, twee rijksdaalders aan toevoegde omdat hij net iets uit een nalatenschapje uit Rijssen had ontvangen en natuurlijk die jonge, pure Jordaanse overlevingsmoeder zo lief en mooi vond.

Maart 1975, Willemsparkweg 165 I, Amsterdam. Belcampo komt me in mijn taartpunt, voorzien van een heuse erker, opzoeken. Max van Doorn die, nadat hij een kunstgebit had verworven, componist en dirigent werd was na zijn pensionering naar Frankrijk getrokken, zijn tweede vaderland waar hij dood wilde gaan. Natuurlijk niet zó gauw maar dat gebeurde helaas wel. Hij woonde er nog maar amper of hij kreeg een gruwelziekte. Belcampo vertelde me dat het daarginds heel slecht met hem ging. Was Max een jeugdvriend van hem, ik had hem ook heel goed gekend en we vonden dat hij daar niet alleen mocht doodgaan zo zonder vrienden.

Ondanks de ernst van onze missie glunderden we ook een beetje: lekker samen op pad de wijde wereld in. Belcampo wist natuurlijk weer precies alles van Bordeaux af waar we naar toe moesten. Kerken zat. Kathedralen genoeg. Prachtige musea. Zeerovershaven. Monumenten. Noem maar op. We namen de nachttrein naar Parijs. Ik zal die tocht door dat nachtelijke Frankrijk niet gauw vergeten. Overstappen en dan zuidwestwaarts. Een droeve, mooie rit. Achter ons werd het lichter en lichter. Heuvels. Torens. Kleine plaatsjes waar alles nog sliep en waar we doorheen denderden. Een meer waaruit de vogels opgeschrokken en de hemel inschoten. Steeds dichter kwamen we bij onze zieke vriend en steeds werd de wereld die we tegemoet gingen mooier.

Op een pleintje in de buurt van het hospitaal vonden we een hotelletje waar het naar lekker eten rook, maar we gingen eerst naar het ziekenhuis. Antje, de vrouw van Max sliep al dagen op een stretcher in de kamer van haar man. Die arme Max. Uitgeteerd. Vlak voor de dood. Dag Max, zei Herman. Max herkende zijn vriend. Dag Herman. Ik stond er een beetje lullig bij. Mij herkende hij niet meer. “Maar hij heeft je wel gezien hoor”, zei Antje later vergoelijkend toen hij gestorven was. Dat gebeurde gelukkig de volgende dag. Dus hij hoefde niet langer te lijden. Wij de stad in. Schraal weemoedweer met zo'n floersje verdriet dat zo aan je knaagt maar je ook gelukkig en tevreden stemt omdat je wat liefs hebt gedaan voor je oude vriend.

“Toch zag hij er niet eens zo slecht uit na al die ellende die ze met hem hebben uitgespookt”, zei Belcampo. “O, wat hebben we lol gehad samen. Weet je dat Max altijd zijn gebit uit de mond liet vallen als hij hard moest lachen? Ach, natuurlijk, dat weet je ook nog van die ene keer. In Rijssen. Toen kon hij zijn tanden niet eens meer terugvinden.”