Marieke van Doorn, manager van het hockeyteam en arts bij een bergexpeditie; "Topsport kan héél ongezond zijn'

Dokter Marieke van Doorn stopte na de Olympische Spelen van Seoul na precies honderd interlands met tophockey. Nu is ze terug, als manager van het nationale vrouwenteam. Maar voordat ze bij Oranje op de bank plaats nam, maakte ze als arts deel uit van de Mount Everest-expeditie van bergbeklimmer Ronald Naar.

AMSTELVEEN, 6 JUNI. Marieke van Doorn zit momenteel onder het gewicht dat ze had in haar tijd als international. Dat komt omdat ze tijdens de zes weken in het basiskamp van Naar en zijn mannen op 5400 meter hoogte zeven kilo afviel. “Je hebt daarboven absoluut geen honger en moet echt tegen heug en meug je eten naar binnenwerken.” Het leven in de wolken doet niet alleen het vetgehalte van het lichaam afnemen, maar ook de spiermassa. Dat is goed te zien aan Van Doorns armen en benen. Maar ze voelt zich niet echt slap. “Toen we naar beneden gingen kreeg ik al meteen zo veel lucht. Dan voel je je meteen zo prima, zo lekker.”

Van Doorn heeft van nabij kunnen constateren dat bergbeklimmen “pure topsport” is. “En er wordt weleens gevraagd of topsport ongezond is. Nou, dit is dus héél ongezond. Hiermee ga je echt over de grens. Die jongens wonen zich volledig uit. Boven de 5000 meter herstelt je lichaam niet meer. Dus leveren die jongens hun topprestatie op het moment dat ze fysiek er het slechtst aan toe zijn. Dat is een raar fenomeen.”

Bovendien is er het gevaar. De dood loert constant, net zoals bij auto- en motorracen. Toch was dat voor Marieke van Doorn geen reden om haar medewerking aan de expeditie te weigeren. Dat ligt anders bij een sport als boksen. “Ik zou nooit ringarts willen worden of zo. Bij het boksen slaan mensen elkaar moedwillig voor de kop. Dat vind ik niets. Bij bergbeklimmen en autosport nemen de beoefenaars zelf het risico. Dat is anders.” Maar zelf zou de 31-jarige ex-hockeyster het gevecht met zo'n berg niet aangaan. “Dat is het me niet waard. Er zijn grenzen.”

Ze zag op de Mount Everest grote verschillen, maar tevens ook overeenkomsten met het presteren van een hockeyster op het hoogste niveau. De blijdschap over het succes van Ronald Naar en zijn kompaan Edmond Öfner was volgens Van Doorn te vergelijken met die na het behalen van een wereld- of olympische titel. De mededeling van Naar via de walkie-talkie dat hij de top had bereikt bezorgde de sportarts beneden in het basiskamp “kippevel en tranen in mijn ogen”. “Je hebt toch iets van: dat hebben we 'm even gefikst.” Zelf vindt ze niet dat ze een topprestatie heeft geleverd. Natuurlijk speelden Van Doorn en haar collega Janneke Timmermans wel een belangrijke rol in het geheel. Het duo moest waken over de gezondheid van de groep en had onder de primitieve omstandigheden de handen vol. “En dat heeft toch iets heel aantrekkelijks, heel emotioneels ook.”

Het leven op de bank van het hockeyteam bij het keurige BMW-toernooi moet na het avontuur in de bergen dus wel erg saai zijn voor Van Doorn. Maar daar heeft de dokter, constateert ze, geen last van. “Nooit gehad ook trouwens. Ik ging een paar dagen na de Olympische Spelen ook net zo makkelijk weer aan het werk. Volgende hoofdstuk, gewoon.” Behoefte aan een rentree had Van Doorn na haar afscheid in '88 ook niet, in tegenstelling tot vele ex-teamgenoten. De dokter speelt tegenwoordig in het derde elftal van HGC.

Marieke van Doorn, een middenvelder met veel overzicht en een uitstekende pass, behaalde als actief hockeyster vrijwel alle successen die er te behalen vielen, de olympische-, wereld- en Europese titel met het Nederlands elftal en Europa Cups en landskampioenschappen met haar club. “Alleen bij het EK in de zaal werden we twee keer tweede, maar ook toen hebben we veel plezier beleefd. We waren geen favoriet en hebben om de tegenstanders te verrassen een paar keer zonder keeper gespeeld.”

Twee jaar hield Van Doorn zich bewust afzijdig van het hockey. Daarna accepteerde ze een aantal functies, onder andere in het bestuur van HGC. Van Doorn voelde zich daartoe min of meer moreel verplicht. “Ik ben als speelster altijd redelijk kritisch geweest. Dus vind ik dat ik nu ook een keer aan de andere kant van de tafel moet gaan zitten.” Manager van Oranje zal ze maar zeer tijdelijk zijn, tot en met de Olympische Spelen en niet langer. Het is niet een functie die ze echt ambieert. Van Doorn springt in om Frank Dikmoet, tot voor kort manager én trainer, te ontlasten. “Frank is zelf trouwens nog niet geaccrediteerd voor Barcelona. Hij moet straks ook op de bank zitten. Anders ga ik niet. Hij heeft drie, vier jaar keihard gewerkt en dan zou ik nu even komen om zijn olympische plaats in te nemen.”

Ze zegt het “heerlijk relaxed” op de bank te vinden. “Ik kan nu eens echt van een mooie actie genieten. Ook als hij niet effectief is. Vroeger kon ik me in het veld dan ontzettend ergeren. Nu niet meer. Want ik ben de coach niet.” Van Doorn sluit het overigens niet uit dat ze in de toekomst zelf nog eens ergens trainer-coach wordt. Voorlopig heeft ze geen tijd. Aan het einde van dit jaar rondt ze haar specialisatie, sportgeneeskunde, af. Het was eerst niet de bedoeling die richting in te slaan. “Sport was mijn hobby en dat wilde ik eigenlijk zo houden.” Maar de sportgeneeskunde trok uiteindelijk toch en nu voelt ze zich er volledig op haar plaats. “Je hebt altijd met gemotiveerde mensen te maken”, aldus Van Doorn. “Ik mis nu alleen een stuk ziekenzorg en opereren vind ik ook heel leuk. Daarom doe ik er later misschien nog wel een specialisatie bij, huisarts of orthopedie.”

Veel is er in het tophockey niet veranderd sinds haar tijd, vindt Van Doorn. Er wordt alleen nóg meer getraind. “Die meiden zijn fantastisch bezig.” Op zich vindt de dokter die enorme inspanningen geen probleem mits er sprake van een goede begeleiding is. “Er moet af en toe een pas op de plaats worden gemaakt”, schrijft Van Doorn voor. “Maar ik moet bekennen dat ik daar zelf niet goed in was. Ik ben ook twee keer overtraind geweest.”

Volgens Van Doorn is het grootste probleem van de huidige situatie in het hockey dat de nationale jeugdteams het voorbeeld van de A-teams volgen en meer en meer gaan trainen. “En dan krijg je te maken met mensen in de groei die verschijnselen van overbelasting krijgen. Dat klopt absoluut niet.”