Leemte in rechtsbescherming voor verdachten van seksueel misbruik; Een keten van "hulpverleners' keerde zich tegen hem

Wie in Nederland terechtstaat op verdenking van seksueel misbruik van een kind heeft geen onvoorwaardelijk recht op analyse van, of zelfs maar inzage in het bewijsmateriaal. Deze lacune in de rechtsbescherming kwam naar voren in een recente strafzaak voor de rechtbank in Zwolle. In december 1991 sprak deze rechtbank een Kampenaar vrij van ontucht met zijn zesjarige nichtje. Een belangrijk bewijsstuk in deze zaak werd gevormd door een rapport dat een RIAGG-medewerkster had opgesteld op basis van een ondervraging van het vermeende slachtoffertje. Haar rapport stelde dat de waarschijnlijkheid dat deze man het meisje had misbruikt "vrij groot' was.

De Kampenaar en zijn advocaat beschikten niet over de video-opname van de ondervraging en konden dus niet nagaan of het RIAGG-rapport door de feiten werd gesteund. Zij hadden bot gevangen bij hun verzoek de videoband over te dragen aan een door hen voorgedragen getuige-deskundige. De rechter-commissaris moest vervolgens meedelen dat hem geen middelen ter beschikking stonden om het RIAGG te dwingen de band aan de deskundige af te staan.

De advocaat stelde, met een beroep op het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat om die reden het RIAGG-rapport niet als bewijsstuk kon worden aanvaard. Pas nadat de rechtbank in een tussenvonnis had besloten behoefte te hebben aan inzage van de band, stelde de officier van justitie de band ter beschikking voor vertoning in de rechtszaal.

De vertoning van de band was onthullend: anders dan in het RIAGG-rapport werd gesuggereerd, sprak het kind juist tot het eind toe tegen dat de aangeklaagde haar te na was gekomen. Dit zelfs nog nadat de ondervraagster een copulatie-scène had uitgebeeld met twee van geslachtsorganen voorziene poppen en aan het meisje had verteld dat dit was wat oom Willem met haar had gedaan. Een nadere analyse was niet meer nodig. Vrijspraak volgde.

Dat deze zaak desondanks een leemte in de rechtsbescherming blootlegde, kan met drie argumenten worden gestaafd.

Ten eerste moest de advocaat zich in deze zaak op Europees recht beroepen: nergens in het Nederlands recht is vastgelegd dat een rapport zoals dat van het RIAGG ontoelaatbaar is als bewijsmateriaal, wanneer van de daaraan ten grondslag liggende ondervraging geen transcriptie of opname beschikbaar is. Integendeel: verklaringen "van horen zeggen' zoals deze kunnen sinds het de auditu-arrest van de Hoge Raad uit 1926 als bewijs worden toegelaten. De op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gebaseerde jurisprudentie is niet ondubbelzinnig. De beslissing van de rechtbank was voor de Kampenaar meer een kwestie van geluk dan een gevolg van een onmiskenbaar recht van hem als verdachte.

Bovendien treden niet alle gedragsdeskundigen zo grof op als die in Zwolle. Vaak kan pas na een zorgvuldige analyse worden vastgesteld of in een ondervraging het kind door de vragenstelster is "gestuurd' naar een belastende verklaring. Een enkele vertoning bij de rechtszitting, waar de getuige-deskundigen slechts haastige aantekeningen kunnen maken, volstaat daartoe niet.

Ten slotte: zelfs als de rechtbank had besloten het RIAGG-rapport niet als bewijsstuk te aanvaarden, was dat niet noodzakelijkerwijs in het voordeel van de verdachte. De video-opname kan immers ook bewijsmateriaal ter ontlasting van de verdachte zijn. Dat was hier het geval: de ondervraging was "niet optimaal' geweest, zo stelde de rechtbank voorzichtig en dat was één van de redenen voor vrijspraak.

De Nederlandse rechtsstaat is zwak op het punt van de bescherming van mogelijk onschuldige verdachten. Behalve dat deze zaak nog eens duidelijk maakte dat ons strafrecht zich niet tegen de auditu bewijs verzet, toont deze ook aan dat een verdachte geen onvoorwaardelijk recht heeft op contra-expertise van een zelf uitgekozen deskundige.

De afwezigheid van een automatisch en door Justitie bekostigd recht op contra-expertise is er wellicht de voornaamste oorzaak van dat in een strafzaak de verdachte het Openbaar Ministerie met ongelijke wapens moet bevechten. Wie verdacht wordt van seksuele kindermishandeling krijgt te maken met een groot, gesubsidieerd apparaat van maatschappelijk werkers, gedragsdeskundigen en Justitie. Zij hebben de middelen om een uitvoerig dossier te produceren.

Daartegenover staat een verdachte die het maar moet zien te rooien. Goede strafpleiters zijn zeldzaam en duur. Wie een behoorlijk tegenonderzoek wil laten uitvoeren moet goed in zijn geld zitten, zo hij al toegang krijgt tot het tegen hem gerichte bewijsmateriaal.

Wie dat geld niet heeft kan het lot wachten van Jan S. uit Tilburg. Nadat diens huwelijk op de klippen was gelopen werd hij geconfronteerd met een keten van "hulpverleners' die zich en bloc tegen hem keerden. Toen eenmaal, op grond van zeer algemene gedragskenmerken bij zijn dochtertje, het vermoeden van seksueel misbruik was gerezen, bleek de trein niet te stoppen. Gezinstherapeut, orthopedagoge, gezinsvoogdes, de Raad voor de kinderbescherming, arts, politie en Openbaar Ministerie omschreven het vermeende misbruik in steeds gruwelijker termen.

De culminatie van dit proces was een serie ondervragingen van de betrokken kinderen door drs. C.M. van Deutekom, dezelfde orthopedagoge die in 1989 verantwoordelijk was voor het ondervragen van de kinderen in het Bolderkarschandaal, die daarna haar werk op de oude voet heeft kunnen voortzetten. Van Deutekoms ondervragingen laten zich lezen als kinderpornografie. Onverbiddelijk kapt zij elke opmerking van de kinderen af die vader zou kunnen vrijpleiten en legt zij hun een verhaal over seksueel misbruik in de mond.

S. stond tegenover deze monoliet van gesubsidieerde maatschappelijk werkers alleen. Geen moment heeft hij zich behoorlijk kunnen verweren. Het dossier laat zien dat nergens in het proces een moment van bezinning kwam. S. zit nu een straf van vier jaar uit. Zo hij al schuldig was, biedt het strafdossier daarvoor geen aanknopingspunt.

In de behoefte aan bezinning in het strafproces zou door een faciliteit voor contra-expertise kunnen worden voorzien. Misschien wekt het idee dat Justitie een faciliteit ten behoeve van verdachten zou moeten vergoeden bevreemding. Justitie hoort echter niet de strafvervolging, maar het recht te dienen.