HOE HET DREYFUS VERGING NA DE AFFAIRE

Dreyfus. A Family Affair 1789-1945 door Michael Burns 576 blz., geïll., Chatto & Windus 1992, f 75,80 ISBN 0 7011 3891 2

Op 22 december 1894 werd kapitein Alfred Dreyfus door de krijgsraad te Parijs schuldig bevonden aan hoogverraad. Hij zou militaire geheimen hebben verkocht aan Frankrijks aartsvijand, Duitsland. De zaak op zich zelf, hoogverraad door een officier van de Generale Staf, was sensationeel genoeg om de aandacht te trekken van pers en publiek, zeker in deze hoogtijjaren van het nationalisme. Het feit dat het hier bovendien ging om een joodse officier die afkomstig was uit de Elzas, de in 1871 door Duitsland ingelijfde Franse provincie, droeg nog extra bij tot de sensatie. Toch is er maar één reden waarom ook nu, bijna honderd jaar later, de naam van Dreyfus nog steeds bekend is en de Dreyfus-affaire in vrijwel ieder school- en handboek is te vinden. Die reden is heel eenvoudig: Dreyfus was onschuldig.

Uiteindelijk - en dat is natuurlijk niet minder belangrijk - bleek het ook mogelijk die onschuld aan te tonen. Dat zou echter heel wat voeten in de aarde hebben. De strijd om het eerherstel van Dreyfus zou twaalf jaar in beslag nemen. Hiervan bracht Dreyfus er bijna vijf in gevangenschap door. Vanaf 1898 werd de strijd in het openbaar gevoerd. Toen groeide de Dreyfus-zaak uit tot de Dreyfus-affaire, die op haar beurt zou uitgroeien tot een van de grootste politieke en morele crises uit de moderne Franse geschiedenis.

De Dreyfus-affaire heeft dan ook geleid tot een vrijwel onoverzienbare hoeveelheid literatuur. Om te beginnen zijn er natuurlijk de publikaties uit de tijd zelf, van mensen als Bernard Lazare en Emile Zola. Daarna kwamen de mémoires van Dreyfus, Cinq années de ma vie, en van diverse dreyfusards, waarvan die van Charles Péguy en Léon Blum tot de bekendste behoren. Vervolgens werd de fakkel overgenomen door journalisten en historici uit tal van landen tot ten slotte de universitaire geschiedbeoefening zich er met overgave op stortte. De invloed van de Dreyfus-affaire in Duitsland, Engeland, België et cetera leidde tot menige academische verhandeling. Een recent voorbeeld hiervan is een studie De Dreyfus-affaire in de Salentijnse pers. Veel verder kan men gelukkig niet gaan.

Er is dus over dit onderwerp veel geschreven, zo veel dat ik vastbesloten was nog maar één boek over de Dreyfus-affaire te zullen lezen, namelijk het boek dat zou aantonen dat Dreyfus wel schuldig was. Zo'n boek bestaat, geloof ik, niet. Maar onlangs verscheen een ander boek over de Dreyfus-affaire dat, hoewel minder spectaculair, vrijwel even origineel is: Michael Burns' Dreyfus. A Family Affair. Ook Burns moet in zijn boek natuurlijk het bekende verhaal van Dreyfus en zijn affaire vertellen en hij doet dat met verve en vaart en met oog voor de menselijke kant van de zaak.

De originaliteit van zijn benadering zit hem echter in het feit dat hij dit verhaal plaatst in een veel breder kader. Burns stelt twee vragen aan de orde die eigenlijk nogal voor de hand liggen maar waaraan toch in de meeste boeken vrijwel wordt voorbijgegaan: waar kwam de familie Dreyfus eigenlijk vandaan? En: hoe is het verder met hen gegaan toen de affaire achter de rug was? Alfred Dreyfus had immers na zijn "affaire' nog vele jaren te leven. Hij overleed pas in 1935, toen Hitler in Duitsland al aan de macht was gekomen. Dat heeft Dreyfus dus nog net meegemaakt. Wat hij niet meer heeft meegemaakt, is dat zijn geboortegrond, de Elzas, die na de Eerste Wereldoorlog weer bij Frankrijk was teruggekeerd, in 1940 opnieuw bij Duitsland werd ingelijfd. Een groot deel van de familie Dreyfus, die al die jaren in de Elzas is blijven wonen, maakte dat echter wel mee.

DE FAMILIE

De voorouders van Alfred Dreyfus behoorden tot de oudste joodse families die zich in de Elzas hadden gevestigd. Dat gebeurde al in de Romeinse tijd. De oorspronkelijk latijnse naam, Treveris, werd na de invallen der Germanen in de vijfde eeuw verduitst tot Dreijfuss (Drie-voet). Die naam, in al zijn varianten van spelling, kwam veel voor in de uitgebreide joodse gemeenschap in de Elzas. De familie van Alfred Dreyfus was woonachtig in Rixheim, een klein plaatsje nabij Mulhouse. Hier bestonden geen getto's of joodse wijken, maar leefden jood en niet-jood vrijelijk door elkaar. De Elzas, hoewel Duitstalig, was sinds Lodewijk XIV Frans grondgebied en maakte dus ook de Franse Revolutie en haar gevolgen mee, waaronder de emancipatie van de joden.

Abraham Dreijfuss, Alfreds overgrootvader, was slager. Zijn zoon Jacob verdiende de kost als handelaar in tweedehandsgoederen en geldschieter. Ook investeerde hij in grond. In 1835 nam hij het besluit te verhuizen naar het naburige Mülhausen, dat in 1848 Mulhouse zou gaan heten, een bloeiende gemeente met een sterk groeiende bevolking en een nog sterker groeiende joodse gemeenschap. Het dankte die bloei aan zijn grote textielindustrie. In de textiel zocht en vond ook Raphael Dreyfus, Jacobs zoon en Alfreds vader, zijn toekomst. In 1862 begon hij zijn eigen katoenspinnerij. Tevens nam de familie toen definitief de Franse vorm van de familienaam aan en heette voortaan dus Dreyfus. De kleinzoon van een joodse dorpsslager was een vooraanstaand en welvarend Frans staatsburger geworden.

Raphael Dreyfus stond niet alleen aan het hoofd van een groot bedrijf, maar ook van een groot gezin. Hij had negen kinderen van wie Alfred de jongste was. Alfred werd geboren op 9 oktober 1859. Elf jaar later volgde de Frans-Duitse oorlog waarin de Franse legers op verpletterende wijze werden verslagen. Bij het Verdrag van Frankfurt, 21 mei 1871, werd de Elzas een Duits Reichsland. Nu stond de familie Dreyfus, evenals zoveel andere Elzasser families, voor de keuze: blijven of weggaan. Raphael koos voor een compromis. Hij liet het bedrijf achter onder leiding van zijn oudste zoon, koos zelf officieel zijn verblijfplaats in Carpentras maar de facto in Zwitserland en liet zijn jongste zoon Alfred en diens twee jaar oudere broer Mathieu naar Parijs gaan. Dit was in de eerste plaats bedoeld om te ontsnappen aan de Duitse dienstplicht, maar ook om beiden een goede schoolopleiding te geven.

De sociale stijging van de familie Dreyfus vond haar bekroning in de toelating van deze twee zonen tot een van de prestigieuze Parijse Lycea. Mathieu koos daarna toch voor het familiebedrijf, maar Alfred had andere ambities. Hij nam met succes deel aan het toelatingsexamen tot een van Frankrijks bekendste grandes écoles, de Ecole Polytechnique. Hij wilde beroepsofficier worden, de beste manier immers om bij te dragen aan de Revanche en de herwinning van de verloren provincies.

Alfreds bestaan als beroepsofficier was overigens relatief comfortabel doordat hij over een aanzienlijk privé-inkomen beschikte. De hierdoor gewekte jaloezie bij zijn mede-officieren droeg bij tot het isolement, waarin hij zich door een zekere stijfheid en intellectualiteit toch al bevond. Door zijn huwelijk met Lucie Hadamard, dochter van een vooraanstaand joods diamantair, in 1890, steeg zijn rijkdom nog zeer aanzienlijk. In datzelfde jaar werd hij ook toegelaten tot de Hogere Krijgsschool, de Ecole de Guerre, om daarna als stagiaire geplaatst te worden bij de Generale Staf. Toen sloeg, om de klassieke woorden te gebruiken, het noodlot toe. Op 15 oktober 1894 werd kapitein Alfred Dreyfus gearresteerd op de verdenking van hoogverraad.

DE ZAAK

Het verhaal van de Dreyfus-zaak is in hoofdlijnen algemeen bekend, maar het is in de nuchtere en heldere samenvatting die Burns ervan geeft weer even verbijsterend als altijd. De Franse contraspionage had dank zij haar regelmatige inspecties van de prullenmanden van de Duitse ambassade ontdekt dat een geheim memorandum met gegevens over Franse manoeuvres in handen was gekomen van de Duitse militaire attaché. De verdenking viel al snel op Dreyfus. Voor die verdenking bestond geen enkel bewijs en nauwelijks een aanwijzing, maar de met het onderzoek belaste officier, majoor du Paty de Clam, was niet van dit vermoeden af te brengen.

Van meet af aan werd de zaak gekleurd door het in die tijd hoog oplaaiende antisemitisme. Daarin lag ook de eigenlijke reden voor de verdenking. De belangrijkste antisemitische krant, Edouard Drumonts La Libre Parole, vatte haar visie op de zaak als volgt samen: ""Judas verkocht de barmhartigheid en liefde van God (...). Dreyfus verkocht onze mobilisatieplannen aan Duitsland.'' Daarmee was alles gezegd.

Dreyfus werd op 22 december 1894 door de krijgsraad bij unanieme beslissing veroordeeld tot deportatie, degradatie en de kosten van het proces. Daarna kon Dreyfus aan zijn ballingschap beginnen, eerst naar het Ile de Ré, daarna naar Duivelseiland.

Duivelseiland is het kleinste van een groepje eilanden voor de kust van Frans Guyana dat de veel vrolijker naam Iles de Salut draagt. Victor Hugo noemde dit traditionele verbanningsoord ""de droge guillotine''. Duivelseiland zelf is slechts een kilometer lang en nauwelijks tweehonderd meter breed. Dreyfus was er de enige gevangene en hij werd met grote zorg bewaakt door zes opzichters. Later werd dit aantal zelfs uitgebreid tot dertien, want de regering bleef doodsbang voor joodse conspiraties om Dreyfus te bevrijden. Zo mocht er niet met hem worden gesproken. Om niet geheel in te storten, volgde Dreyfus een strikte levenswijze: vroeg opstaan, wassen, vegen, schoonmaken, kleding herstellen, koken, in zijn tuintje werken, weer koken en veel lezen, vooral Shakespeare. Viereneenhalf jaar later, op 5 juni 1899 kwam de hoofdcipier hem vertellen dat het vonnis geannnuleerd was en er een nieuw proces zou komen.

De heropening van de Dreyfus-zaak was vooral het resultaat van de inspanningen van Alfreds broer Mathieu. Deze was direct na de arrestatie begonnen aan een geldverslindende strijd om Alfred vrij en in zijn eer hersteld te krijgen. Mathieu's inspanningen krijgen een grote plaats in dit boek, dat niet voor niets A Family Affair heet. Hij bracht een eigenaardige groep medestanders op de been, maar de doorbraak kwam pas met de "Open brief aan de president van de Republiek' van Emile Zola, die op 13 januari 1898 onder de titel J'accuse in Clemenceau's krant L'Aurore verscheen.

Zola klaagde in zijn stuk niet alleen de militaire top aan, maar ook generaal Mercier, de minister van Oorlog ten tijde van het proces tegen Dreyfus, en diens opvolger, generaal Billot. De minister van Oorlog begon onmiddellijk een proces wegens smaad tegen Zola en met succes. Zola werd tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld en week daarom uit naar Londen. Maar de roep om revisie was niet meer te stuiten.

Op 7 augustus 1899 begon het tweede proces tegen Dreyfus, ditmaal in het rustige Rennes. Op 9 september velde de krijgsraad een van de meest absurde vonnissen uit de Franse geschiedenis: Dreyfus werd met vijf tegen twee stemmen schuldig bevonden, maar "wegens verzachtende omstandigheden' slechts veroordeeld tot tien jaar. Tien dagen later verleende de president van de Republiek hem gratie. Dreyfus was vrij.

NASLEEP

De meeste schrijvers over de Dreyfus-zaak laten hun verhaal hier eindigen om alleen nog kort aandacht te besteden aan het eerherstel van Dreyfus en aan de politieke gevolgen van de affaire. Burns is op dit punt pas halverwege zijn boek gekomen. Er volgen nog meer dan tweehonderd bladzijden over de nasleep en over de vraag hoe het verder ging met Dreyfus en zijn familie. Daar is ook alle reden voor. Alfred Dreyfus had op het moment dat hij vrijkwam nog zesendertig jaar te leven.

Het eerste dat na 1899 moest gebeuren was het fysieke en psychische herstel van Dreyfus. Daarna kwam zijn eerherstel. Dat laatste zou nog heel wat voeten in de aarde hebben. Internationale verontwaardiging over de absurditeit van het vonnis droeg hier veel toe bij. Jean Jaurès wist ten slotte de zaak heropend te krijgen en op 11 juli 1906, bijna zeven jaar na zijn invrijheidstelling, werd het vonnis nietig verklaard en Dreyfus gerehabiliteerd. Hij werd door de minister van Oorlog om politieke redenen slechts bevorderd tot majoor en niet tot luitenant-kolonel, de rang waar hij recht op had. Wel kreeg hij het Légion d'honneur. Kort daarna ging hij met pensioen.

Overigens bleef Dreyfus het slachtoffer van aanvallen in de pers en zelfs van een aanslag op zijn leven. Zijn kinderen en neven werden op school lastig gevallen. Dreyfus zelf wijdde zich aan sociaal-politieke activiteiten. Toen brak de Eerste Wereldoorlog uit. Op 2 augustus 1914 kreeg hij zijn mobilisatieoproep. De inmiddels vijfenvijftigjarige majoor werd ingedeeld bij een artilleriestelling in de buurt van Parijs. Zijn zoon Pierre nam deel aan alle campagnes van 1914-1916 en overleefde tegen iedere kansberekening in ook de moorddadigste, zoals de strijd om Verdun en de slag aan de Somme. Zijn vader, inmiddels zevenvijftig jaar oud en grootvader, kreeg pas in 1917 zijn zin, toen ook hij naar het front werd overgeplaatst. Na de oorlog hield Dreyfus zich bezig met familiezaken en goede werken. Hij overleed op 12 mei 1935 in zijn bed te Parijs.

Vijf jaar later, in 1940, volgde de Duitse inval in Frankrijk. De Dreyfusen en hun uitgebreide aangetrouwde familie vluchtten naar het zuiden. Na de val van Frankrijk raakte de familie verdeeld over het bezette deel en het Vichy-Frankrijk van Pétain. Het maakte niet veel uit. Al in 1941 creeerde Pétain een Commissariaat voor joodse zaken. Een van de leiders van dit bureau werd Charles Mercier du Paty de Clam, een afstammeling van Dreyfus' meest verbeten vervolger. Enkele van Dreyfus' familieleden wisten naar Amerika of Engeland uit te wijken. De meesten echter bleven in Frankrijk. Sommigen, onder wie Alfreds weduwe, overleefden de oorlog. Anderen ontkwamen niet aan hun lot. Een van de twee kleindochters van Dreyfus, Madeleine, stierf in 1944 in Auschwitz-Birkenau.

EMANCIPATIE EN INTEGRATIE

Burns' boek over Dreyfus en zijn familie is origineel, boeiend en bij wijlen ontroerend. Het verhaalt de geschiedenis van een man en zijn uitzonderlijke belevenissen en die van een bijzondere familie. Burns plaatst dit alles in de context van de sociaal-politieke geschiedenis van Frankrijk in de laatste twee eeuwen. Hij plaatst de affaire hiermee in een veel langer tijdsperspectief dan gebruikelijk is. Zo wordt de Dreyfus-saga een onderdeel van de problematische geschiedenis van de emancipatie en integratie van de joden in Frankrijk.

De originaliteit van het boek zit hem ook in het nieuwe bronnenmateriaal. Burns baseert zich niet alleen op de bestaande, zeer uitvoerige literatuur, maar ook op verschillende lokale en regionale archieven. Hij heeft bovendien gebruik gemaakt van de particuliere archieven van de familie Dreyfus alsmede van correspondentie en interviews met familieleden.

Uiteraard lezen wij veel dat we al kenden. Ook hier weet Burns echter vaak een originele benadering te bieden, bijvoorbeeld doordat hij de affaire beschrijft vanuit het perspectief van Dreyfus zelf. Zo blijven we met Dreyfus op het Duivelseiland tot het schip hem er komt ophalen zonder iets te weten van de inspanningen van Zola en al die anderen. Pas na terugkeer in Frankrijk krijgen we, net als Dreyfus zelf, stap voor stap te horen wat er allemaal in Frankrijk is gebeurd in dat dramatische jaar 1898.