HARDLOPERS EN MEELOPERS

In de pas. Sport en lichamelijke opvoeding in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog door André Swijtink 430 blz., De Vrieseborch 1992, f 55,- ISBN 90 6076 347 5

"Eén der verzamelplaatsen tijdens de razzia was het Olympiaplein. Het weer was mooi die dag, en op het sportveld werd mitsdien getennist. De wachtende joden hoorden de ballen tikken op de grond en de spelers roepen: ready-game-deuce. Het waren geen NSBers die daar speelden. Het waren geen mannen uit het verzet. Het was de meerderheid van het Nederlandse volk. Men was aan zeer veel gewend geraakt.'' Met dit navrante citaat uit Abel Herzbergs Kroniek der jodenvervolging opent het proefschrift van André Swijtink waarop hij in maart van dit jaar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam promoveerde.

Waren die tennisspelers op het Olympiaplein gespeend van elk moreel besef, vraag je je af. Op die vraag gaat de dissertatie van Swijtink uitvoerig in. Heeft L. de Jong dan over de sport gedurende de oorlog al niet alles geschreven? Nee, De Jong meldt er in al die delen vrijwel niets over en andere literatuur is ook nauwelijks voorhanden. Die lacune is eigenlijk zeer vreemd, merkt Swijtink terecht op. De sport kwam immers tijdens de bezettingsperiode tot een ongekende bloei in Nederland. Zowel de actieve als passieve belangstelling nam sterk toe. Ook de Duitse bezetter bemoeide zich op allerlei manieren met de sport en lichamelijke opvoeding.

Met Swijtinks boek is nu in ieder geval een grote stap voorwaarts gedaan in de opvulling van die historiografische leemte. De auteur heeft de uitkomsten van zijn omvangrijke bronnenonderzoek thematisch en vervolgens chronologisch geordend. Hij omschrijft zijn werkwijze als "analytisch-descriptief'. Het resultaat is een zeer gedetailleerd en tegelijk ook boeiend en leesbaar verslag van hetgeen zich op sportief gebied gedurende de oorlogsjaren in ons land heeft afgespeeld. Erg verheffend is Swijtinks verhaal helaas niet.

Nadat Hitler begin 1933 aan de macht was gekomen, namen de sportieve contacten met Duitsland niet af, maar werden juist intensiever. Door de meeste Nederlandse bonden en sportlieden werd de sterke nazi-invloed op de Duitse sport gewoonweg genegeerd. Terwijl in Duitsland sport en lichamelijke opvoeding instrumenten waren geworden van de nationaal-socialistische propagandamachine, hield een grote meerderheid in Nederland staande dat sport en politiek niets met elkaar van doen hadden. Sommigen, zoals de bekende sportjournalist Joris van den Bergh, schreven zelfs in positieve zin over de Gleichschaltung van de sport in Nazi-Duitsland.

TWEEFASENBELEID

Toen de Duitsers Nederland hadden bezet, voerden zij inzake de sport bewust een terughoudende politiek. Seyss-Inquart meende dat hiermee de stabiliteit en rust onder het Nederlandse volk zou worden bevorderd. Eerst later zou een volledige nazificatie van de sport plaatsvinden. Maar aanvankelijk zorgden een aantal maatregelen van de Duitsers, bij voorbeeld subsidieverlening aan de sportbonden, ervoor dat de Nederlandse sport zich beter dan ooit kon ontwikkelen. De sportwereld liet zich door dit lepe tweefasenbeleid maar al te gemakkelijk in slaap sussen. Velen wilden eigenlijk ook niets liever dan een hervatting van het dagelijkse leven. En sport hoorde daarbij. Bovendien was er al zo weinig vertier. In toenemende mate zocht men daarom tijdens de bezetting afleiding in de sport.

Toch namen de Duitsers onmiddellijk twee ingrijpende maatregelen op sportgebied. Allereerst moesten er overkoepelende eenheidsbonden komen en daarnaast moest de sport "jodenvrij' worden gemaakt. Om verschillende redenen werd door zowel de neutrale als de levensbeschouwelijke bonden de eerste maatregel gesteund. Gelaten accepteerde men de uitsluiting van de joodse sporters en bestuurders, die in de loop van 1941 gestalte kreeg. Van verzet is, aldus Swijtink, slechts sporadisch sprake geweest. De fameuze radioverslaggever Han Hollander werd zelfs al in mei 1940 (!) door zijn AVRO-baas W. Vogt ontslagen. De jood Hollander zou de oorlog niet overleven. Zijn vrouw en hij stierven in het vernietigingskamp Sobibor.

Tijdens de oorlog bleven tussen Nederland en Duitsland verschillende sportcontacten bestaan. Professionele boksers en wielrenners trokken regelmatig naar het land van de vijand. Eén van hen was de begin dit jaar overleden wielrenner Gerrit Schulte. Of dat politiek of moreel verantwoord was, interesseerde "le fou pédalant' niet: ""Ik was bang voor de bombardementen, maar verder was het al met al een leuke tijd.''

OPPORTUNISME

Bij de meeste Nederlandse sportbestuurders, die met instemming zagen hoe de sport floreerde en veel maatschappelijk aanzien genoot, was beslist sprake van een uit opportunisme voortkomende Deutschfreundlichkeit. De ontwikkelingen in de lichamelijke opvoeding liepen min of meer parallel met die in de sport. Diverse langslepende kwesties werden door Duitse maatregelen opgelost. Zo werd, na jaren van uitstel, lichamelijke opvoeding op de lagere scholen een verplicht vak. Bij veel betrokkenen - leerkrachten, sportleiders - leidde dit tot grote waardering voor het Duitse beleid terzake.

In het algemeen voegde de sportpers zich uiterst meegaand naar de eisen van "de nieuwe tijd'. De meeste journalisten schreven neutrale verslagen en men sloot zich zonder morren aan bij het gelijkgeschakelde Verbond van Nederlandsche Journalisten. Dat de status van hun beroep door de bloei der sport aanzienlijk was toegenomen, speelde, zo stelt André Swijtink, beslist een rol in de bereidheid van de sportjournalisten tot aanpassing.

Bij de onzorgvuldige zuivering van de sportwereld na de oorlog liepen vooral de apert "foute' sporters en bestuurders tegen de lamp. De Haagse atleet Tinus Osendarp, die in de jaren dertig een zeer succesvol sprinter was en tijdens de bezetting openlijk sympathiseerde met de NSB, werd veroordeeld tot twaalf jaar hechtenis. Nog meer echter werden "kleine mannetjes' aangepakt. Maar Karel Lotsy, "de ongekroonde koning van de Nederlandse sportwereld', werd van alle blaam gezuiverd. Lotsy genoot voor de oorlog een groot aanzien als leider van het Nederlands voetbalelftal. In de oorlog paste hij zich moeiteloos aan en vervulde diverse prominente sportfuncties waarin hij, naar de mening van Swijtink, de grens tussen accommodatie en collaboratie duidelijk overschreed. Zijn invloed was echter na de Duitse capitulatie nog zo groot dat deze ""stroman van de bezetter'' de dans met gemak wist te ontspringen. De zuiveringscommissie waarvoor hij moest verschijnen, was nota bene mede door hemzelf samengesteld. Evenals bij de nazi-spelen te Berlijn in 1936 zou Lotsy in 1948 als chef d'équipe de Nederlandse Olympische ploeg in Londen begeleiden. Degene die het meest "in de pas' had gelopen, liep nog steeds voorop.