Fraude

DE BELASTINGEN zijn altijd hoger dan de belastingmoraal, luidt een aprocrief gezegde.

Dit geldt op zijn eigen manier evenzeer voor de sociale zekerheid. De afgelopen week bracht nieuwe, verontrustende signalen uit dit dubbele morele niemandsland. Bij de presentatie van het jaarverslag van de belastingdienst werd meegedeeld dat bedrijven naar schatting tien procent van de jaarwinst buiten de aanslag voor de vennootschapsbelasting weten te houden. Intussen laat de gemeente Amsterdam weten dat zij bijna kopje onder gaat in een omvangrijk onderzoek naar de zogeheten "witte fraude': het ontvangen van een uitkering naast een reguliere baan. Dit onderzoek is het resultaat van de systematische uitwisseling van gegevens tussen fiscus en sociale diensten.

In beide gevallen gaat het om aanzienlijke totaalbedragen. De fiscus loopt naar schatting 1,9 miljard gulden aan vennootschapsbelasting mis. Extrapolatie van de Amsterdamse gegevens zou betekenen dat alleen in de hoofdstad van 1988 tot en met 1990 voor 100 miljoen gulden ten onrechte is uitgekeerd. Het roept de verzuchting in herinnering van een Kamerlid dat “fraude een van de grootste departementen is als het gaat om gemiste kansen”.

Het parlementair overleg van de laatste jaren stond dan ook geheel in het teken van de pakkans, die bovendien direct wordt verbonden met de "lik-op-stuk'-aanpak, directe sancties dus. Het Amsterdamse onderzoek is daar een uitvloeisel van. Het massaal tegen elkaar afdraaien van de bestanden van belastingdienst en sociale sector is een belangrijke motor van de nieuwe controle-ethos.

AMSTERDAM LAAT tegelijk zien dat het oppassen geblazen is om snelle conclusies van individuele verwijtbaarheid te trekken uit het enkele feit dat iemand in een gegeven jaar zowel bekend staat bij de fiscus als bij een uitkeringsinstantie. Een gerede verklaring is dat iemand slechts een deel van het jaar betaald werk had. Maar ook van de gevallen die zich lenen voor nader onderzoek valt al direct ruim een kwart af. Het beeld wordt verder genuanceerd doordat de controleurs niet al te zware consequenties verbinden aan een paar honderd gulden discrepantie in het geval van mensen die het toch al niet te breed hebben.

Het is niet moeilijk zich een vergelijkbare redenering voor te stellen in het geval van een bedrijfje dat de tent draaiende probeert te houden door een enkele fiscale bocht in de weg af te snijden. De “snelle fraudeurs met hun Porsche”, zoals het eerder geciteerde Kamerlid het uitdrukte, zijn natuurlijk een ander chapiter. Maar al die specifieke gevallen kunnen collectief intussen aardig aantikken. De samenleving kan het cumulatieve effect van een voortgaande erosie van de belasting- c.q. uitkeringsmoraal niet onbeperkt verdragen. De moeilijkheid is echter dat het vanuit een oogpunt van gerechtige vergelding - de basis van iedere rechtsstaat - ook niet aangaat de individuele uitkeringstrekker of belastingontduiker verantwoordelijk te stellen voor het geheel, voor dat cumulatieve effect. De wetgever dient dan ook meer ernst te maken met de ingewikkeldheid van de regelgeving als bron van gefoezel, ook al betekent dit het doorhakken van vaak pijnlijke knopen. De woningdelersregeling is een berucht voorbeeld. Vereenvoudiging heeft zijn prijs in de vorm van een minder nauwkeurig toegesneden huis-aan-huis-verzorging. Het alternatief is echter, naar het woord van oud-premier Van Agt, dweilen met de kraan open.