Expo-stichting in conflict met paviljoenbouwer

ROTTERDAM, 6 JUNI. De Stichting Nederland Sevilla, die verantwoordelijk is voor de Nederlandse bijdrage aan de Wereldtentoonstelling in Spanje, wil geld terug van het bedrijf Reco Productions. Reco zou als hoofdaannemer ten onrechte geld hebben gend voor meerwerk aan het Nederlandse paviljoen in Sevilla.

Volgende week beslist het bestuur van de stichting of de niet geraamde, extra uitgaven worden voorgelegd aan een arbitrage-commissie. Volgens landsadvocaat H. Bouma, tevens raadsman van de stichting, is het extra geld tijdens de bouw onder voorwaarden verstrekt. “We hebben laten vastleggen dat wij ons het recht voorbehielden om later eventuele twijfelachtige posten aan een arbitrage-commissie voor te leggen”.

Het project heeft de stichting, een zogeheten publiek-private samenwerking van de Nederlandse overheid met enkele bedrijven waaronder KLM en Heineken, miljoenen guldens meer gekost dan de 15 miljoen die oorspronkelijk was geraamd. Deze krant meldde twee maand geleden dat de bouw in totaal 40 miljoen gulden had gekost. Hoeveel de stichting overweegt terug te eisen kon Bouma nog niet zeggen. “Het bedrag ligt dichter bij de half miljoen gulden dan de ongeveer 20 miljoen gulden die in de pers wordt genoemd.”

Onder leiding van bestuursvoorzitter S. Orlandini, voormalig topman van KLM, sloot de stichting in 1990 een contract met Reco, een bedrijf van oud-journalist H. Remmers. De Stichting ging er vanuit dat Reco voor het afgesproken bedrag alle werkzaamheden zou (laten) verrichten. Tijdens de bouw bleken verscheidene zaken niet in dat contract te zijn vastgelegd, zodat Reco extra kosten doorberekende voor meerwerk.

“Tussen de directie en mij is de term "belazerd' wel eens gevallen”, zegt Bouma over dat verschil van inzicht. “Het contract is afgesloten op basis van het masterplan. Daarin werd bijvoorbeeld voortdurend gesproken over een roltrap. In de begroting bleek echter alleen een trap te zijn opgenomen, zodat Reco extra geld kwam vragen voor een roltrap.” De aanleg van een elektriciteitsnet en een transformatorhuis viel buiten het contract en werd dus in rekening gebracht.

“Remmers of één van zijn vertegenwoordigers is zeker 5 keer langsgekomen voor extra geld en elke keer kregen zij hun zin. Voor ons drong de tijd en onze bestuurders werden zenuwachtig bij de gedachte dat het werk bij de opening niet klaar zou zijn”, zegt Bouma. “Die zenuwen waren bij Reco minder aanwezig. Reco heeft geen cent uitgegeven die ze niet eerst bij ons hadden opgehaald.”

De kiem van deze ongelijke verhouding lag volgens Bouma in de ongunstige omstandigheden waaronder het contract werd afgesloten. “Toen de opdracht al was aanbesteed, moest het contract nog worden gesloten. Wij konden daardoor niet meer uitwijken naar eventuele andere gegadigden. Toen ik erbij kwam lag er een concept-contract van de advocaten van Reco, waarover wij nog maanden hebben onderhandeld. Vervolgens werkte de grote tijdsdruk in ons nadeel.”

Mede hierdoor verliep de wording van “het gezichtsloze gebouw ... gevuld met een onduidelijk allegaartje” buitengewoon chaotisch, zoals deze krant in april meldde. Pas op de valreep werd bijvoorbeeld geregeld wie moest opdraaien voor de verwijdering van het paviljoen na de tentoonstelling. Bouma: “Op de dag dat Remmers het paviljoen verkocht aan Archeon (een archeologisch park in Alphen aan den Rijn, red.) werd in een contract vastgelegd dat Reco de opbrengst zou krijgen. In ruil daarvoor moeten Reco het gebouw weghalen en het terrein naar tevredenheid van de autoriteiten opleveren”.