Don Giovanni-zangers vervangen twee zieke Schubert-vertolkers

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Nikolaus Harnoncourt m.m.v. Eva Mei (sopraan), Hans-Peter Blochwitz (tenor) en Gilles Cachemaille (bas). Programma: Schubert, Derde en Achtste Symfonie; Mozart: aria's uit Don Giovanni. Gehoord: 5/6 Concertgebouw, Amsterdam. Radio-uitzending 10 juni.

Het door Nikolaus Harnoncourt geleide Holland Festivalconcert van het Concertgebouworkest had gisteren een geheel ander karakter dan de oorspronkelijk voorziene . Omdat eerst Dietrich Fischer-Dieskau wegens ziekte verstek liet gaan en op het allerlaatst om dezelfde reden ook zijn vervanger Oliver Widmer afzegde, kon de Nederlandse première van vier door Brahms verzorgde orkestbewerkingen van Schubertliederen geen doorgang vinden. Harnoncourt loste het probleem op door drie zangers, die onder zijn leiding meewerken aan Don Giovanni in het Muziektheater, op hun vrije avond mee te nemen naar het Concertgebouw. Met de voordracht van vier aria's uit de opera hebben zij vele concertbezoekers die, zoals ik, tevergeefs probeerden een kaartje voor het Muziektheater te bemachtigen, aangenaam verrast.

Zowel Cachemaille met Leporello's aria Madamina als Blochwitz met de Don Ottavio-aria's Il mio tesoro' en Dalla sua pace leverden in vocaal en interpretatief opzicht voortreffelijke prestaties. Verrassend was het optreden van de jonge sopraan Eva Mei. Haar glaszuivere, stralende en innerlijk vertolking van Donna Anna's recitatief en rondo Crudele - Ah no, mio bene! oogstte stormachtige bijval.

Wat Schubert betreft: het enorme kwaliteitsverschil tussen de enigszins onbewimpeld aandoende Derde symfonie en het gerijpte onvoltooide meesterwerk de Achtste symfonie viel ook duidelijk te bespeuren in de wijze waarop Harnoncourt de werken ten gehore bracht. Zeker, in de Derde symfonie legt Schubert nog weinig structureel en innerlijk verband tussen zijn op zichzelf bijzonder aantrekkelijke melodische vondsten. Maar zo uit de losse hand en verbrokkeld als Harnoncourt deze muziek ten gehore bracht, heeft de componist het stellig niet bedoeld.

De meesterlijke wijze waarop Harnoncourt de schatten van de Unvollendete blootlegde, doet mij vermoeden dat de tekorten in zijn directie van de Derde symfonie minder op onvermogen dan op tijdelijke onwil berustten. Bij de expositie en doorwerking van de vele cantabile-passages in de Unvollendete bedient Harnoncourt zich van zulke minieme handgebaren, dat het lijkt alsof hij het contact met het orkest even kwijt is. Niets is echter minder waar. De dirigent benut de schitterende klank van het Concertgebouworkest, en in het bijzonder die van de houtblazers, maximaal om te komen tot een dwingende organische verbinding van de verfijnd-lyrische melodische stromen en stroompjes met de daarmee contrasterende heftige, dramatische ontladingen van de tutti. Harnoncourt, varend op het kompas van zijn innerlijke zekerheid, hoeft het er bij de Unvollendete niet dik bovenop te leggen om de ziele-adel van Schuberts muziek via een subliem ensemble voor zichzelf te laten spreken.