De uitverkoop van Nederlands industrie

Volvo Car kreeg buitenlandse bazen en Fokker en DAF zijn in de aanbieding. Nederland houdt industriële uitverkoop. De overheid voelt er weinig voor rechtstreeks geld te steken in innovatieve, "zelfscheppende' bedrijven.

Nederland houdt uitverkoop; de laatste industriële paradepaardjes worden aan het buitenland verkocht. Na textielindustrie en scheepsbouw valt nu het doek voor de producenten van transportmiddelen. Zweden en Japanners verwierven de meerderheid in Volvo Car, tegenwoordig Nedcar, Japanners zouden ook azen op DAF, Deutsche Aerospace (Dasa) streeft naar een meerderheidsbelang in Fokker.

Nederland is volgens velen te klein om grote industriële ondernemingen zelfstandig en onder nationale vlag in stand te houden. Naarmate hun buitenlandse markten groeien en de uniforme Europese markt dichterbij komt, groeit de noodzaak tot internationale vertakkingen en samenwerkingsverbanden. Zelfstandigheid van grote industrieën heeft een prijs en de Nederlandse overheid is niet van zins die te betalen.

Minister Andriessen van economische zaken juicht bijvoorbeeld daarom de vrijage tussen Fokker en Dasa toe. Fokker is, net als Volvo Car en DAF, een innovatieve onderneming met eigen onderzoek, ontwikkeling en marketing. Maar de kosten hiervan zijn de laatste jaren fors gestegen en het commerciële risico van een nieuw produkt is immens. Met de ontwikkeling van een nieuwe serie Fokker-vliegtuigen zijn tegenwoordig miljarden gemoeid - geld waarvoor de overheid niet garant wil staan.

Wordt de (middel-)grote industrie te groot voor Nederland? Voorzitter B.J. van der Weg van de Industriebond FNV is bezorgd. De politiek lijkt weinig belangstelling te hebben voor hij industrie als economische factor. Hij signaleert opvattingen dat Nederland het ook zonder industrie van een behoorlijke omvang economisch wel zal redden binnen Europa - “"Nederland distributieland' en dat soort kreten”. De industrie dient juist goede ondersteuning van een sterk en invloedrijk ministerie van economische zaken te krijgen, meent Van der Weg.

Industriepolitiek is volgens Andriessen geen kwestie van grote geldstromen. Het scheppen van een gunstig industrieel klimaat is het credo. Daarmee pikt EZ de draad weer op van de eerste industrialisatienota uit 1949. Daarin schreef KVP-minister J.R.M. van den Brink al dat de Nederlandse industrie het meest gebaat is bij minder regelgeving, een gunstig belastingklimaat en een goede fysieke en kennisinfrastructuur. Slechts de jaren zeventig vormden een uitzondering: toen trachtte de overheid via het beïnvloeden van de particuliere investeringen de richting van de economie te sturen.

De innovatie in het industriebeleid van Andriessen is de nadruk op technologie en het creëren van samenwerkingsverbanden (clusters) tussen industriële bedrijven.

Vakbondsleider Van der Weg vreest niettemin voor een “dreigende uitverkoop van de zware en strategische industrie”. Clustervorming houdt risico's in; als Nederlandse bedrijven deel uitmaken van een groot concern en de zeggenschap berust bij buitenlanders, dan laat het zich raden waar de eerste klappen vallen wanneer het tegenzit. “Dan zijn buitenlanders toch geneigd de leukste plantjes uit de tuin mee naar huis te nemen”, meent Van der Weg.

In dat geval wordt de Nederlandse economie nog afhankelijker van de dienstensector. En dat is extra problematisch. Want, zegt prof.dr. A. van der Zwan, onder meer voorzitter van de Stuurgroep Nederland Industrieland, “dienstverlening kan zich niet ontwikkelen zonder zelfscheppende industrie.”

Enkele cijfers: het Nederlands bruto binnenlands produkt is voor 60 procent afkomstig uit industrie en dienstverlening. Industrie neemt ongeveer 70 procent van de export voor haar rekening; dienstverlening 22 procent. Bijna 20 procent van de beroepsbevolking is werkzaam in de industrie; voor de dienstverlening geldt een percentage van ruim 40.

Van der Zwan, al jarenlang op de bres voor de belangen van de Nederlandse industrie, constateert in deze sector een tekort aan krachtige, zelfstandige, sturende bedrijven. “Een groot deel van de Nederlandse industrie is op dit moment al toeleverancier.”

Pag.18: Industrie roept vergeefs om extra aandacht; "Nu we in een recessie zitten, heb je geen behoefte aan een nieuwe nota, maar aan actie'; "Een industriebeleid gericht op de creatie van nieuwe industrieën is onmogelijk'

Volgens Van der Zwan is als toeleverancier een goede boterham te verdienen. “Maar wat je echt nodig hebt, zijn bedrijven die zelfscheppend, creatief en innovatief bezig zijn, met eigen onderzoek, produktontwikkeling en marketing.”

De Stuurgroep Nederland Industrieland, een pressiegroep van voornamelijk industriële ondernemers, heeft al meermalen geroepen om grotere aandacht van de overheid voor de (zelfscheppende) industrie. Tot nu toe zonder veel succes.

Een echt industrieel klimaat en een industriële trots ontbreken in Nederland, zegt voorzitter Van der Zwan. “Dat hebben bij voorbeeld de Fransen wel. Die hebben echt nagedacht in welke sectoren ze een rol van betekenis wilden spelen. En dat is ze, onder andere in de telecommunicatie en bij de hoge-snelheidstreinen, ook aardig gelukt.”

De industriegoeroe erkent dat in Nederland ook wel pogingen zijn gedaan om “industriële speerpunten” te formuleren, maar daarbij lag het accent op bijvoorbeeld de scheepsbouw. Met het debâcle van het wervenconglomeraat Rijn-Schelde-Verolme bleken “onze speerpunten in feite op de bodem gericht”.

In 1980 presenteerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het rapport "Plaats en toekomst van de Nederlandse industrie', gemaakt door een projectgroep onder voorzitterschap van Van der Zwan. Daarin werd een lans gebroken voor ontwikkeling van een offensief industriebeleid. Maar het economisch herstel van de jaren tachtig werd gedragen door traditionele industrietakken als chemie en voedingsmiddelensector. En van de “fundamentele verbreding van de nationale industriële basis” door steun aan nieuwe, kansrijke sectoren, die de commissie Wagner in 1981 bepleitte in het rapport "Een nieuw industrieel elan', kwam evenmin iets terecht.

Het ontbreekt de overheid aan financiële middelen om die industriële verbreding nu te realiseren, menen de woordvoerders van de regeringspartijen CDA en PvdA die belast zijn met Economische Zaken. “Een industriebeleid gericht op de creatie van nieuwe industrieën is onmogelijk. Wel kan de overheid via technologiesubsidies een richting aangeven”, zegt W. van Gelder (PvdA).

Wat hem en zijn CDA-collega J. van Iersel zorgen baart, zijn de achterblijvende investeringen. Industriële ondernemers verwachten dat de investeringen dit jaar met 3 procent zullen dalen in vergelijking met vorig jaar. Het vertrouwen van Nederlandse ondernemers in het buitenland is blijkbaar groter dan het vertrouwen van buitenlanders in Nederland, zegt Van Iersel. Vorig jaar investeerde Nederland voor bijna 21 miljard gulden in andere landen; het buitenland stelde daar ruim 7 miljard aan investeringen in Nederland tegenover.

Vorige week stuurde minister Andriessen de vervolg-rapportage van de in 1990 verschenen nota "Economie met open grenzen' naar de Tweede Kamer. “Een gedegen analyse - en dat gold ook voor de eerste nota - maar ik mis de vertaalslag naar het beleid”, zegt Van Gelder.

Van Iersel noemt staccato de kernbegrippen uit de nota: de wig (verschil tussen bruto en netto loon): te groot; de belasting- en premie-druk: te hoog; infrastructuur: verouderd; arbeidsmarkt: te star; etcetera.

“Goed dat er aandacht voor bestaat en dat Andriessen ervoor zorgdraagt dat deze onderwerpen op de politieke agenda blijven. Maar de innovatie in het industriebeleid blijft uit”, oordeelt Van Iersel. In navolging van Wagner pleit hij voor “verbreding” van het industriebeleid, maar Van Iersel doelt niet bepaald op stimulering van nieuwe, kansrijke bedrijfssectoren. “Ontwikkelingssamenwerking, steun aan Oost-Europa, milieubeleid. De effecten van deze operaties worden vele malen vergroot wanneer ze meer worden gekoppeld aan de belangen van het bedrijfsleven”, legt het CDA-Kamerlid uit.

De nota van Andriessen had Van der Zwan bespaard mogen blijven: “Waarom komt er geen plan van actie?”, vraagt hij zich af. “Nu we in een recessie zitten, heb je geen behoefte aan een nieuwe nota, maar aan actie. Ik denk dat de regering een enorme kans heeft laten liggen. Juist op het terrein van het industriebeleid had ze kunnen scoren.”

In een periode waarin "de financiële ruimte voor nieuw beleid' krap is, hamert Andriessen op het thema van de strategische allianties en een Kamermeerderheid steunt hem daarin. Veel ondernemers kunnen het zich niet permitteren om geheel zelfstandig een nieuwe markt te betreden of een nieuw produkt te ontwikkelen. Samenwerking is dan het devies.

De strategische samenwerkingsverbanden tussen buitenlandse en Nederlandse industriële bedrijven kunnen volgens Van der Zwan schadelijk voor Nederland zijn. Wie noodgedwongen op zoek is naar een partner, kan moeilijk keiharde garanties afdwingen. “Dan verdwijnt op den duur het zelfscheppende deel van zo'n onderneming naar het buitenland”, voorspelt hij. “Als het geld uit het buitenland komt, ligt daar ook de beslissingsmacht.”

Het alternatief is dat een bedrijf zelfstandig blijft, maar armlastig wordt. Volgens Van der Zwan gaat dat zowel op voor Fokker, DAF als Volvo Car. Zonder hun revolving funds - (overwegend) overheidsgeld, dat bij terugbetaling opnieuw voor produktontwikkeling beschikbaar is - zouden ze niet hebben kunnen voortbestaan, meent hij.

Drs. J.C. Blankert, die zijn voorzitterschap van de Vereniging FME (werkgevers in de metaal- en elektrotechnische industrie) binnenkort verruilt voor dat van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond, maakt zich niet zoveel zorgen over grensoverschrijdende fusies en overnames van Nederlandse bedrijven. “Die beweging is al jaren aan de gang”, zegt hij. “Het heeft te maken met de verdere internationalisatie van markten en met schaalvergroting. Europa wordt verdeeld. Nu komt eindelijk in zicht waarmee we jarenlang zijn bezig geweest: één Europese markt.”

Een totale uitverkoop van de Nederlandse industrie zou ook Blankert wat te gortig zijn, maar daarvan is volgens hem geen sprake. “We kunnen wel jammeren over toenemende buitenlandse invloed in Nederlandse bedrijven, maar omgekeerd geldt ook dat een Nederlands bedrijvenconglomeraat als Begemann veertig tot vijftig buitenlandse bedrijven omvat.”

Bestuursvoorzitter dr. J.C.M. Hovers van machinefabrikant Stork beschouwt het verdwijnen van de zware en middelzware industrie, met verwante opleidings- en onderzoeksinstituten, als “een verschraling van ons economisch draagvlak”. Volgens hem is Nederland gebaat bij een pluriform woon/werkklimaat: “Mensen moeten kunnen leven en wonen op de manier die ze willen. Ze moeten ook kunnen kiezen wat voor opleiding ze willen genieten en waar ze dat onderwijs in de praktijk willen brengen.”

Een land is gebaat bij de aanwezigheid van verschillende industrieën, zegt Hovers. Industriële "maak-bedrijven' kunnen elkaar versterken, ze hebben elkaar nodig. “Daarom moeten we in Nederland een collectief in stand houden van bedrijven die elkaar wat te bieden hebben. Als onderdeel van een collectief kun je ook gecompliceerdere en grotere projecten aan.”

Aan de andere kant, zegt hij, moeten we niet zo bang zijn voor buitenlands aandelenbezit van Nederlandse industriële bedrijven. “Het buitenland ondergaat in Europees verband ook langzaam een verandering. Wij zijn in Nederland wat dualistisch, we meten met twee maten. Aan de ene kant willen we graag buitenlandse bedrijven naar Nederland halen en vinden we het leuk als een Nederlands concern een belangrijke buitenlandse onderneming overneemt. Andersom piepen we nogal snel. We moeten natuurlijk wel zorgen voor een goed industrieel klimaat en voor de daarbij passende mentaliteit en opleidingen.”

Op het scheppen van dat soort gunstige "randvoorwaarden' voor het bedrijfsleven concentreert Economische Zaken zich dan ook. Na de maakbare samenleving - en het daarbij horende industriebeleid - van de jaren zeventig is de directe steunverlening aan individuele bedrijven (begin jaren tachtig nog bijna 900 miljoen gulden) bij voorbeeld afgeschaft, net als de Wet op de Investeringsrekening (WIR). De technologiesubsidies zijn daarentegen sterk gestegen, van 200 miljoen gulden in 1982 tot bijna één miljard gulden nu.

Deze subsidies zijn, onder invloed van de snelle technologische ontwikkelingen, in de loop van het vorige decennium min of meer synoniem geworden voor industriebeleid. In zijn "vervolg-rapportage' over de Nederlandse economie legt Andriessen andermaal een accent op technologiesubsidies. Het buitenland trekt daarvoor ook grote bedragen uit.

Met het wapen van de strategische allianties en een bedrag van ongeveer één miljard gulden moet Andriessen de concurrentie met het buitenland aan. Via management by speech moet de Nederlandse bevolking worden doordrongen van het belang van technologie, want ongeveer de helft van de economische groei vloeit voor uit technologische vernieuwingen in bedrijven. Maar Andriessen is somber over de Nederlandse volksaard. “Men is niet geïnteresseerd in techniek, men vindt technische studies niet interessant of te moeilijk. Dat zie je op alle niveaus, van het lager beroepsonderwijs tot de universiteit”, zei Andriessen deze week in een vraaggesprek met het NCW-blad De Werkgever. “Ik heb de hoop dat we dat draagvlak geleidelijk kunnen vergroten. Eerst moet men het belangrijk vinden; dan komt het geld ook wel.”