De drie partijen beschouwen Surabaya als hun bakermat; De barometer van Indonesië

SURABAYA, 6 JUNI. Oh rode brug, wat sta je daar kranig tussen fraaie gebouwen; dag in dag uit komt er ander volk over je heen. De Jembatan Merah (Rode Brug), vereeuwigd in een weemoedig keroncong-lied, overspant een modderstroom die door Surabaya's oude binnenstad loopt: de Kali Mas (Gouden Rivier). De glorie van die naam is vergaan, net als die van de omringende gebouwen uit de Zaman Belanda, de Hollandse tijd.

We zijn een halve eeuw verder en de Arek Suroboyo maken zich op om voor de zesde maal sinds de onafhankelijkheid van Indonesië een parlement te kiezen. Aan het hekwerk van de Rode Brug is een tiental vlaggen bevestigd: zeven gele, van de regeringspartij Golkar, en drie groene, van de quasi-islamitische PPP. Zoals overal elders in Surabaya zijn de rode vaandels van de populistische PDI in een nacht verdwenen. Van het veel bezongen rood rest alleen de bladderende verflaag op de brugleuning.

Het begin van de nationale verkiezingscampagne klonk drie weken geleden in Surabaya, een stad die alle drie de partijen als de hunne beschouwen. In dit be stuurscentrum van de provincie Oost-Java, met zijn vele ambtenaren, kan Golkar rekenen op een omvangrijk kiezersleger. In Surabaya is ook het provinciale secretariaat gevestigd van de islamitische organisatie Nahdlatul Ulama (NU - Opstanding der Schriftgeleerden), die in Oost-Java 10 miljoen leden telt en vanouds het merendeel van de PPP-kiezers levert.

Surabaya was ooit een bolwerk van Soekarno's PNI, die in 1973 met vier andere partijen opging in de PDI. Die werft zijn kiezers onder de talrijke studenten, jonge arbeiders en kleine neringdoenden. Surabaya is, kortom, de barometer van Indonesië.

De hypermoderne marinewerf PT Pal dateert nog uit de Nederlandse tijd, toen zij Marina heette, en telt inmiddels vijfduizend werknemers. De ingenieurs, machinebankwerkers en scheepsbouwers stemmen Golkar, want zij werken voor een staatsbedrijf en dat maakt hen van hun leertijd tot en met hun pensioen orang pemerintah (regeringsvolk). Zij moeten op 9 juni hun stem uitbrengen op de werf en daar weet men al gauw wie het verkeerde hokje heeft aangekruist. Datzelfde geldt voor de ambtenaren in het provinciehuis en de andere overheidskantoren van Surabaya.

Langs de reling van de Rode Brug staat een lange rij becak (uitgesproken als betja, fietstaxi's). Hun berijders zijn in meerderheid pendatang (nieuwkomers) uit omliggende plattelandsdistricten, die in Surabaya hun geluk komen beproeven. Becak-rijders behoren tot de wong cilik, kleine mensen. Velen van hen fietsen dan ook mee in de verkiezingskaravanen van de PDI, met een rode vlag aan hun vehikel.

Een groot aantal pendatang komt van het naburige Madura. Zij steken en masse de smalle zeestraat over die hun schrale eiland van zoutpannen en geiten scheidt van Oost-Java. Met hun spreekwoordelijke felheid proberen ze in Surabaya aan de kost te komen: als becak-rijders, als sigarettenverkopers en als uitbaters van eenvoudige eetstalletjes, waar zij voor vijftig cent een bordje Soto Madura serveren. De meeste Madurezen zijn fanatieke moslims en velen stemmen op de islamitisch getinte PPP.

Met een Indonesische collega voeg ik me bij de vele duizenden die in Prapat Kurung, een stadspark in Surabaya-Noord, een verkiezingsbijeenkomst van Golkar bijwonen. De geperste broeken en het nette schoeisel van de in gele t-shirts gehulde supporters laten niets te raden over: dit is overheidspersoneel. Op het podium stralen vele sterren. Mevrouw Try Sutrisno, een geel hoofddoekje om haar Golkarpetje, is gehuwd met de chef-staf van ABRI, de Indonesische strijdkrachten.

Zij doet een beroep op de partijtrouw van de ABRI-echtgenotes en hun kinderen, ouders en schoonouders. Zij mogen immers stemmen; hun mannen, vaders, zoons en schoonzoons niet. Ibu Try komt net als haar man uit Surabaya. Zij spreekt haar gehoor aan als "Arek Suroboyo' (een koosnaam voor lokale jongelingen) en herinnert aan "de geest van 10 november' (1945, toen de Nederlandse vlag werd neergehaald boven het Oranjehotel).

Drs. Chalid Mawardi, lid van het hoofdbestuur van Nahdlatul Ulama, negeert het neutraliteitsconsigne van zijn organisatie en werft NU-aanhangers voor Golkar. Hij opent met een gebed en waarschuwt vervolgens voor het "rode gevaar' van de PDI: “Golkar en ABRI hebben Indonesië verlost van de communisten; geef nieuw links geen kans”. De bejaarde Golkar-baas Hadji Moch Said, de man die Soeharto's staatspartij in 1987 aan een verpletterende overwinning in Oost-Java hielp, regisseert de bijeenkomst, die wordt opgeluisterd door ingehuurde zangeressen.

De aanzienlijk kleinere PPP en PDI hebben geen geld voor zulk spektakel en spreiden hun campagne-activiteiten over kleine podia in de kampongs van Surabaya.

De PPP spreekt de kampong-bewoners, in meerderheid migranten van het platteland, aan op hun islamitische geloofsgevoelens, maar ook op hun sociaal-economische achterstand. Mr. Hadji Muchsin, vice-voorzitter van de PPP in Oost-Java: “Onze belangrijkste concurrent is de PDI, niet Golkar. Want geel is de staat, begrijpt u wel? Winnen hangt af van drie dingen: macht, geld en gelegenheid. Macht en geld hebben we niet, maar de autoriteiten tonen deze keer politieke wil om de andere twee een faire kans te geven. De ABRI wil de drie een "proportionele' behandeling geven en de regering zegt een "kwaliteitsverhoging van de verkiezingen' te wensen. Dat schept gelegenheid, hopen we”.

Op het voetbalveldje van de kampong Tanjung Sari Tandes spreekt vader Suhadji, leraar en voorzitter van de PDI in Surabaya. Zijn thema: “De PDI wil niet de armen, maar de armoede aan de kant zetten”. Suhadji spreekt in gloedvolle bewoordingen, doorspekt met Oostjavaans, over gebrekkig onderwijs in de staatsscholen en onbetaalbare privé-scholen. Over lage lonen in de industrie en het arbeidsethos van Golkar: “Wie wil er niet hard werken? Maar dat valt niet mee, als het dagelijkse menu onvoldoende calorieën biedt”. Hij waarschuwt de rode mensenmassa om het beeld van de PDI niet te bezoedelen met vandalisme. Zijn publiek bestaat uit bewoners van de omringende kampong: moeders met baby's, becak-rijders, warung-houdsters, sjofele, werkloze jeugd, blootsvoets of met plastic slippers.

Na zijn optreden begeleidt Suhadji's studentengarde hem naar een klapstoeltje en praten we na. Suhadji: “De PDI-aanhang is jong, minder traditioneel dan die van de PPP en nog gevarieerder dan die van Golkar: studenten, academici, arbeiders, onderwijzers en kleine sappelaars. Het aantal traditionele stemmers op de PDI (een fusie van de oude PNI, sociaal-democraten en christenen) neemt af. De PNI-aanhang onder ambtenaren en gepensioneerden is noodgewongen Golkar-lid geworden en vergrijst. Kinderen van ex-PNI'ers stemmen vaak PDI, maar dit is vooral een moderne partij, die het niet moet hebben van oude loyaliteiten en patronage, maar van een rationele keuze voor verandering”. Hij doet de verwijten van Golkar-werver Mawardi als zou de PDI de klassenstrijd preken af als “benepen” en toont zich gematigd optimistisch over de eerlijkheid van de verkiezingen. De PDI, zegt hij, heeft inmiddels voor alle stembureaus in Surabaya een getuige bij de telling.

Een laatste vraag: waar zijn de PDI-vlaggen in de straten van Surabaya gebleven? Suhadji: “Sommige zijn door de concurrentie weggehaald, maar de meeste zijn meegenomen door onze mensen zelf. Golkar laat de hele stad versieren met uit de partijkas betaald geel. PDI-leden moeten hun vlaggen zelf bekostigen. Zij zijn bang dat iemand anders ze meeneemt en ze bij de volgende rally zonder vaandel zitten”.

Surabaya is een Oostjavaans centrum van scheepvaart en handel, een mierenhoop van vier miljoen mensen, de tweede stad van Indonesië. Met de zeehaven Tanjung Perak, een grote marinewerf, fabrieksterreinen, torenhoge bankgebouwen, Dallas-villa's en schamele kampongs, het geheel omzoomd door rijstvelden, is Surabaya een dwarsdoorsnede van Indonesië. Een mengelmoes van rijkdom en armoede, neon-reclames en gamelan-muziek.

Surabaya is de bakermat van het Indonesische nationalisme. Hier stond het huis van de charismatische moslimleider Tjokroaminoto, wiens achtergalerij in de jaren twintig dienst deed als ontmoetingsplaats van vrijheidslievende notabelen, onder wie de jonge Soekarno. Daar sprak het gezelschap bij de koffie over kemerdekaan (onafhankelijkheid), over de Japanse dreiging en de Hollandse gouverneur-generaal. Daar groeide een idee, dat in 1927 vorm kreeg in de Partai Nasional Indonesia (PNI).

In deze stad werd op 10 november 1945 de Nederlandse vlag neergehaald boven Hotel Oranje (nu Hotel Majapahit). Dat was het voorspel tot de bloedige Slag om Surabaya, die de wereld deed beseffen dat het de Indonesiërs dodelijke ernst was met hun vrijheidsstreven.