Wat stadsbewoners moeten missen; Flora's favourite

Het is weer juni, de eerste zomermaand, en de tuinen zijn weer groen. “De zomer is mooi, maar op den duur een beetje kleurloos en vermoeiend. Veel licht doet pijn”, schrijft Jan Wolkers over de zomerse plantenwereld. Wolkers' eerste levensjaren werden beheerst door de ongebreidelde plantengroei in de tuin van de buren. Later kreeg hij zelf een volkstuintje van driehonderd vierkante meter dat hij omtoverde tot een blok groen van zeshonderd kubieke meter. Nu woont hij op Texel, op de grens van weiland en beboste duinen. “De urbane sterveling mist veel, want de intense genietingen van het landleven komen zelden in Miami Vice of Basic Instinct aan bod.”

Mijn vroegste herinnering aan de plantenwereld gaat terug tot mijn derde of vierde levensjaar. Ik sta voor het hek dat onze tuin van die van de buren scheidt en staar in verwondering door het ruitvormige gegalvaniseerde gaas met roodbruine roestplekken de groene weelde in van scheuten, stengels, bladeren en ranken. De sappige glazige stelen van de springbalsemien, doorschijnend rood, alsof ze met grenadine gevuld zijn, de ruigte van de hop die de guldenroede bij elkaar snoert, riddersporen die oprijzen met een pagode van lichtgroene bladeren, de dikke stengels van de japanse duizendknoop met fijne rode streepjes alsof ze uit rabarbermoes geperst zijn. Dat beeld van structuren en schaduwrijk wemelende kleurschakeringen ligt in mijn geheugen opgeslagen, stralend vereeuwigd als op een glasschilderij.

Er is nog een vroegere gebeurtenis die me zo vaak in de familiekring verteld is dat het bijkans een herinnering is geworden met een duidelijk beeld. Een peuter die op de grijsgeschoffelde aarde van onze eigen tuin aan de rand van die aanlokkelijke wildernis ligt en heftig sabbelt aan een roze uitloper van de springbalsemien, aan de tepel van een borst met een omtrek van veertigduizend kilometer. In wankel evenwicht moet ik me aan de rok van mijn moeder hebben vastgehouden, maar toen ik de bandeloze vegetatie in de tuin van de buren in de gaten kreeg, dribbelde ik kraaiend van opwinding naar het hek. Mijn prille geestvervoering was echter te groot voor mijn nog onontwikkelde motoriek. Plat op mijn buik stortte ik neer met mijn gezicht in de zorgvuldig van kruid en onkruid gereinigde aarde. In plaats van het op een blèren te zetten kroop ik driftig naar de speenvormige uitloper, die aan de ontwortelende schoffel van mijn vader ontsnapt moest zijn en begon gulzig te zuigen. Een oom van mij moet spottend geroepen hebben, met een schalkse blik naar mijn moeder, "Die is de tiet nog niet ontgroeid!'

De eerste jaren van mijn leven werden beheerst door de ongebreidelde plantengroei aan gene zijde van het hek. Vanuit de perken met violen, die door de tulipomanie der noeste kwekers toen al tot Aalsmeerse reuzen misvormd werden en die eruit zagen in hun smakeloze kleurenpracht alsof alle dames uit het park hun bloemetjesjaponnen in onze tuin ter aarde hadden besteld, keek ik met verwondering en verlangen naar de van tak naar tak slingerende ranken van de heggerank en de sneeuwwitte vouwkunst van de bloemen van doornappel. Over stengels en bladeren kropen rupsen en kevertjes, zodat het leek toen ik later het werk van Maria Sibylla Merian leerde kennen of haar kleurtekeningen achter ons hek vervaardigd waren. Om de bloemen was een verwoed gegrom van hommels en bijen en een dwarreling van vlinders die als de pest de kale grijze vlakte van onze tuin meden, waar alle leven weggeschroeid werd door de genadeloze zonneschijn, waarvan Raymond Chandler schrijft, "The sunshine was as empty as a head waiter's smile.'

Er is nog een onvergetelijke verschijning achter het hek van de buren. Een lieflijk beeld dat natuur en nimf onherroepelijk te samen smeedt. Ik zal niet ouder dan vijf jaar geweest zijn toen er ineens een meisje van mijn leeftijd tussen de planten stond. Ik had haar niet zien komen, het was alsof ze bij toverslag uit de vochtige mosgrond omhooggekomen was. Hoe lang we daar tegenover elkaar gestaan hebben weet ik niet. Tijd en oneindigheid vielen samen. Ik zie dat beeld nog altijd voor me, fris van de dauw van eerste herinneringen.

Toen ik wat ouder was en zelf in ons parkrijke dorp op onderzoekingstocht ging, al gauw tot buiten de bebouwde kom, ontdekte ik in griendbossen en langs verwaarloosde dijken nog woestere paradijzen, die, niet belemmerd door hek of stek, tot ware wildernissen voortwoekerden. Met wortel en aanhangend veen of bosgrond sleepte ik waaiers van varens en gele lis, pollen adderwortel en kervel, koortsig als een goudzoeker mee naar huis, zodat ik maar al te vaak voor de pinnige gluurzucht van mijn dorpsgenoten geleken moet hebben op een kleine Apollo die onder zijn gretige handen Daphne in bloem en blad heeft zien opgaan. Maar de geest van Hooft waart zelden rond door de tussen perken en parken ingesloten levens der kleine zielen. Nooit heeft iemand mij, als ik met zo'n grote groene omhelzing langskwam, verwelkomd met de woorden, Gij hebt, ter ere mij, weleer door jonst gedreven, Met kruiden groen gepronkt het aardrijk en de lucht. Het bleef bij een misprijzend en bits, "Daar zal je moeder wel blij mee zijn.', of "Daar gaat weer een bos vuilte naar binnen.'

In de brandgang achter onze tuin, tussen de schuur en de loods van een garagebedrijf, buiten het gezichtsveld van mijn huisgenoten, richtte ik een klein paradijs in dat na verloop van tijd wel een dependance van de tuin van de buren ging lijken. Toen een oom van mij, die tijdelijk bij ons in was komen wonen, die groene hal tussen drijfsteen en baksteen ontdekte, noemde hij het een beetje spottend De Kleine Hortus en hij beloofde me dat hij mij gauw eens mee zou nemen naar de echte Hortus Botanicus in Leiden, want dat was volgens hem een eldorado voor iedereen die bezeten was van planten, struikgewas en bomen. En zo kwam ik op een vrije woensdagmiddag aan de hand van mijn oom over het Rapenburg te lopen. Toen we bij het universiteitsgebouw rechtsaf sloegen en ik achter de boog van de toegangspoort het zondoordrenkte hemelse gobelin van de kruin van de rode beuk zag, dat rustte op de machtige stam als een toverkleed, schreeuwde ik van opwinding. Dat ging zo de hele middag op de toonhoogte der bewondering door terwijl we de tuin doorkruisten. De echo van mijn opgewonden stem klonk tussen de majestueuze stammen van kastanje, ginkgo en treurbeuk op en moet tot op de Witte Singel te horen zijn geweest. Dagenlang ben ik zo hees geweest als de in de regen staande Zarah Leander.

Sinds die dag heb ik de tocht naar die achter de huizen van het Rapenburg verborgen weelderige tuin vele tientallen keren gemaakt. In alle seizoenen en onder alle weersomstandigheden. Vanaf de glazige witzilveren bloei van de knikkende vogelmelk tot aan de berijpte kilte van de winterse tovertuin. In het begin, in mijn jongensjaren, alleen of met gelijkgestemde vrienden, later, in mijn puberteit, met diverse vriendinnen, van wie ik er, zo mag men vermoeden, verscheidene achter heb moeten laten als laurierboompje in de luwte van de oranjerie. Zoals andere jongens meisjes met snoep of sigaretten tot knuffelen in portieken verleidden, zo maakte ik als het seizoen meezat en het was juniliefde, een waterverftekening voor ze van een gele lis waarvan het honingmerk zo treffend weergegeven was dat ze er maar al te vaak week van werden.

Toen ik na de oorlog definitief het ouderlijk huis verliet, hunkerde ik naar een eigen tuin, maar dat was voorlopig nog teveel gevraagd. Ik kwam op een zolderetage te zitten op de Rijnsburgerweg in Leiden, met uitzicht, door de achterramen weliswaar, op de Leidse Hout en het bos van Oud-Poelgeest, maar dat wreef maar zout in de wond van het verlangen. Ook al keek ik naar de wazige verten door duizelingwekkend mooie veldboeketten die overvloedig op mijn vensterbank opgesteld stonden. Voor een echte onderdompeling in Flora's festijnen moest ik naar de Nieuwkoopse Plassen, waar ik, omdat ik zelden meer alleen ging, al gauw ontdekte hoe wondermooi de transparant groene schaduwen van riet en hoge moerasplanten verglijden over schuchter ontklede meisjeslichamen.

Pas veel later, toen ik al lang in Amsterdam woonde, kreeg ik eindelijk een tuin, al was het dan maar een volkstuintje van amper driehonderd vierkante meter. Maar wat ik op dat luttele stukje grond aan bomen en planten omhoog wist te krijgen verwonderde vriend en vriendin. Nadat ik alle geijkte dubbele rozenstruiken, achillea's, afrikaantjes en wat er allemaal nog meer door de verwatenheid van de mens aan afschuwelijks gekweekt is, had gerooid en het parmantige gladgeschoren gazon als een versleten vast tapijt opgerold had en naar de vuilnishoop afgevoerd, wist ik in een paar seizoenen een blok groen te kweken van zeshonderd kubieke meter waar je je met liefdevolle elegantie slechts zijdelings doorheen kon begeven, terwijl je voeten als goede liën pad en kikker moesten trachten te vermijden. En alsof dat nog niet voldoende was bekleedde ik de binnenkant van het houten tuinhuisje met spiegelglas, zodat je je volkomen gedesoriënteerd in begeesterde verbazing in een spiegelland waande, zelfs als je midden in de tuin was en de ruigte van de hop in je haren klitte. Voor degenen die de natuur zonder stoffering nogal saai vinden moet ik bekennen dat als de spiegels de beelden hadden vastgehouden die er zich van tijd tot tijd in weerspiegelden, dat simpele optrekje de taferelen uit de cultus der Dionysische Mysteriën, uit de villa te Pompeji, naar de kroon had gestoken.

Toen er op Texel aan de Rozendijk, op de grens van weiland en beboste duinen, een landhuis van Hamdorf te koop kwam, besloot ik meteen eilandbewoner te worden. Wat mij nog het meest aan het hart ging was de volkstuin die ik zou moeten opgeven. Ik twijfelde er geen moment aan dat na mijn vertrek Flora onteerd zou worden tot op het nietigste gewasje. Dat op de plaats waar ik met moeite eenbes en kranssalomonszegel had weten op te kweken weer een gazon gelegd zou worden vol kleurige tuinmeubelen en andere recreatiefaciliteiten en dat de stank van verschroeide speklappen de fragiele geur van mijn egelantieren zou gaan vervangen. Ik besloot om alles over te brengen naar de drieduizend vierkante meter terrein om mijn nieuwe woonplaats. Met een vriend stak ik pol na pol, struik na struik, boom na boom uit en bracht ze op een bakfiets naar de poort van het volkstuincomplex waar we ze in een vrachtauto laadden waar wij dan achteraan reden om ze op het terrein om ons huis op Texel meteen te gaan planten. Drie vrachtwagens boordevol met wuivende bossen bamboe, mastlange ginkgo's en kisten met zeldzame planten verdwenen naar het hoge noorden van ons land. Toen was er geen slip van Flora's kleed meer over. Doorwoelde modder vol kuilen met water en slik bleef achter. Een huiveringwekkend stukje Verdun, alsof er op die troosteloze kale driehonderd vierkante meter in loopgraven en schuttersputjes verbeten tot de laatste man gevochten was.

Een tuin heeft als hij goed aangelegd is, in tegenstelling tot wat men doorgaans de vrije natuur pleegt te noemen, een geometrische opbouw. Als je vanuit het duister van stramme knarrige eiken en soepele lichtzinnige beuken komt en je ziet de machtige lichtgroene kegel van een linde oprijzen, kan je er bijna op rekenen dat er vlakbij uit de geopende ramen van een buiten of landhuis de klanken van een piano hoorbaar worden. Für Elise zonder twijfel of een mazurka van Chopin. Geen Brendel vooralsnog die daar te toetsen beroert, maar toch. We zijn ontkomen aan de wat gelijkvormige wildernis, aan de wirwar van bramen en struikgewas en bevinden ons weer in de bewoonde wereld.

Het huis waar wij hier wonen is in 1936 gebouwd door Hamdorf, en heeft indertijd door de vorm die wat extreem gevonden werd nogal wat stof doen opwaaien in de ingezonden-brievenrubriek van de Texelsche Courant, Van "Iedere Texelaar moet zich eens afvragen, welke kant we opgaan, wanneer wordt voortgegaan met een dergelijke bebouwing aan de landzijde van de dennen' tot aan "Texel heeft er iets moois bij gekregen. Prachtig steekt het witte monument tegen het donkere dennengroen af' worden de meningen unverfroren gespuid. Het "witte monument', daar zullen we het maar op houden want dat is het architectonisch ook wel, is opgebouwd uit een cilinder met een doorsnede van zeven en een halve meter en een hoogte van zes meter waarop een rond laag puntdak zit dat bekleed is met dakpansgewijs gelegde English tiles, wat het huis nog meer een Italiaans aanzien geeft. Daar zijn niet eens de forse populier voor nodig die hoog boven het dak uitwaaiert en de machtige kegel van de lindeboom die het huis aan de westzijde op bijna onreglementaire wijze tackelt. Aan de zuidzijde zijn twee rijen ramen, beneden en op de bovenverdieping, die de cilinder optisch minder kolossaal maken. Omdat die ramen nogal laag zijn komt de zon wanneer hij op zijn heetst en hinderlijkst in huis zou zijn, niet verder dan de vensterbank en 's winters als je wel wat licht in de duisternis kan gebruiken tot achter in de kamer. Het enige nadeel is dat zelfs in het bleke zonlicht een feestelijk opgetuigde kerstboom, waarvan men verwacht dat hij een verfijnd kaarslicht uitstraalt dat honderdvoudig verstild weerspiegeld wordt in bollen en bellen, tot een schetterend wrang anachronisme lijkt te worden en mij altijd weer doet denken aan een oom van mij, dezelfde die mij naar de Hortus in Leiden meenam, die vroeger als mijn ouders niet thuis waren ons de stuipen op het lijf joeg door hartje zomer met de doos met kerstboomversierselen van zolder te komen en tegen ons te zeggen, "Zoeken jullie vast even de piek tussen het engelenhaar op, dan ga ik op de hoek een kerstboom kopen.'

Het uitzicht, met in de verre verte het kalkwitte torentjes van Den Hoorn, is zeventiende-eeuws, zo zelfs dat een vriendin van ons eens zei, "Nou zit ik hier op een stoel van Friso Kramer, aan een tafel van Friso Kramer, omringd door moderne kunst en etnografica, maar als ik naar buiten kijk voel ik me net Hendrickje Stoffels.' Maar als de avondnevel laag en dik als molton over het land ligt zodat je alleen de piramidevormige daken van de drie stolpboerderijen ziet die hier in ons uitzicht staan, is het een fata morgana van Gizeh.

Wat je in dit huis zo onontkoombaar beleeft is de baan die de zon beschrijft. Aan het eind van december komt hij bloedrood met een blauwgrijze droesem op achter wat droge-naaldetswerk van oude meidoorns en je hebt het idee dat hij in de vroege avondschemering niet eens zo veel verder van de plaats waar hij opsteeg vergaat in paarse en gele tinten. Maar in de tweede helft van juni komt hij helemaal achter het huis boven het bos op, al verblindend stralend van een satanische energie, en laat op de avond steken zijn laatste stralen als gouden speren aan de andere kant van het huis door het loof van de linde heen. Het lijkt wel of je die zinkende vuurbol maar een paar meter zou hoeven te verrollen om hem precies op de plaats te hebben waarvandaan hij de volgende dag weer zal opstijgen.

De lente komt hier in golven van kleur. Eerst de vroege krokussen, lichtviolet, transparant als tafzijde, met sprankelend oranje meeldraden. Dan de bosanemonen, een sneeuw van rafelig wit met soms, als een weerschijn, een karmijnroze zweem. Nog voor dit wegdooien tussen het omhoogwoelende groen zijn er de gele anemonen en de gulden boterbloem en dan komt de tijd dat het net is of er plassen regenwater tussen de bomen staan die de wolkeloze hemel weerspiegelen. De stralend blauwe wilde hyacinten, de Endymion nutans. Tegelijkertijd verschijnen overal de pluizige bloeibolletjes van de daslook, op bleekgroene glazige stelen boven het dichte loof uitgestoken. Dan is de dag niet ver meer dat er iemand opgewonden het huis in loopt en verheugd trompettert: “We hebben er zeven van het jaar!” Niemand vraagt waarmee we dan wel gezegend zijn, iedereen loopt naar de plaats waar de eenbessen staan. Er wordt geteld, er worden voorzichtig planten uit elkaar gevouwen om te kijken of er soms nog meer zijn. Nee, zeven van die schitterende vierbladige planten waarbij in het midden al een knop te zien is waaruit een bloem komt met lichtgroene bloemdekbladen met diepgele ragfijne streepjes. We zullen in de loop van de zomer weer kooitjes van gaas moeten vouwen en over de blauwzwarte bessen moeten zetten om ze te beschermen tegen de vraatzucht der merels.

Ineens is het dan of op de machtige kegel van de linde, waarvan de roodbruine knoppen tot barstens toe gezwollen waren, tienduizenden lichtgroene vlinders neergestreken zijn die met gesloten vleugels roerloos wachten. De nieuwe bladeren van de linde. Als ze zo uitgegroeid zijn dat er een donkergroene schemer komt onder de overhangende takken, waarvan de uiterste punten die de aarde raken een cirkel vormen met een doorsnede van achttien meter, zijn ook de voorjaarsplanten weggesmolten tot een glibberig laagje gele vergankelijkheid. Tot het volgend voorjaar is de tempel in duisternis gehuld.

Onze tuin heeft een geometrie waar bij de aanleg, vijfenvijftig jaar geleden, al naar gestreefd moet zijn. Men moet verwacht hebben dat de prunussen onder de dennen vandaan naar voren zouden groeien en grote bogen zouden vormen van roze en dieprode bloei, dat de berken die om de cirkelvormige kleine weide geplant zijn op den duur, als je liggend in het gras naar boven kijkt, een blauwe cirkel van de hemel zouden omsluiten met wuft berkeloof en dat de ellips van de vijver in juni verdubbeld zou worden door een krans van gele lissen en echte koekoeksbloemen langs de waterkant.

De vijver, die vijfentwintig meter lang is en twaalf meter breed, krijgt water uit de duinen, zogenaamd drangwater. Het moet heel zuiver zijn want de oppervlaktespanning is zo goed dat er honderden kleine roofwantsen, die men schaatsenrijders noemt, over rondkrassen. Meteen onder de kant beweegt de bodem van de kokerjuffers, larven van schietmotten die in een kokertje van aan elkaar gekitte plantenrestjes leven, en tientallen kleine watersalamanders en heikikkers zoeken in de paartijd de vijver op. Met het vorderen van de zomer raken we de helft van de weerspiegeling kwijt aan uitdijend blaasjeskruid en krabbescheer. Als je meer hemel met rondzeilende meeuwen en wolken als wateroppervlak wilt hebben zul je met een hark de vijver moeten uitkammen. Dan is er ook weer genoeg ruimte om steentjes in het water te gooien en eindeloos naar de zuivere cirkels van waterplooien te staren. De urbane sterveling mist veel, want de intense genietingen van het landleven komen zelden in Miami Vice of Basic Instinct aan bod.

Prikkebeen zou hier spelden te kort komen, zelfs al had hij het speldekussen van zijn venijnige zuster Ursula weten te bemachtigen. Het wemelt dus om ons huis van de vlinders. De eerste die je ziet, al in de maartse koude, zijn de dagpauwogen die overwinterd hebben in een oude kersenmand die onder een afdak hangt of in een half vergane zinken teil. Zelf in de vrieskou verstard tot een flinter duister metaal. Dan komen de citroenvlinders, de koolwitjes en met de bloei van de seringen de atalanta's en de grote en kleine vossen en in hun honingzog distelvlinders en parelmoervlinders en een heel gefladder van vliegende stukjes mimicry. En als je geluk hebt dwarrelen er wel eens over de hoge grassen brokjes vurig karmijnrood van de Sint Jansvlinder of je raakt danig verrukt van het blauw van de blauwtjes. Dansende frivole meisjesrokjes en je kunt begrijpen dat de schrijver van Lolita zo vaak door een fotograaf in een alpenweide betrapt is met een vlindernet. Maar het mooist van al die wonderbaarlijke imago's is de kolibrivlinder, pluizige lijfjes als vaak gestreelde speelgoeddiertjes op gazen vleugels die razendsnel blijven bewegen zodat de vlinder voor de bloem in de lucht blijft hangen en zo de nectar opslurpt. Als de koekoeksbloemen en de salie bloeien zijn ze er in groten getale, soms in zwermpjes van twintig. Ze zijn ons heilig, je mag er eigenlijk niet eens naar wijzen. En de poes die het waagt naar zo'n lieflijk juweel op te springen krijgt een geduchte uitbrander.

De zomer is mooi, maar op den duur een beetje kleurloos en vermoeiend. Veel licht doet pijn. We zijn altijd weer blij als we de eerste gele berkebladeren ontdekken. De groei en bloei is over, maar je krijgt er hier wel wat voor terug want je moet, als je de broze gaven van de herfst sparen wil, op fluwelen muilen over het terrein schuifelen vanwege de overdadige strooisels paddestoelen. Krulzomen, slanke witte anijstrechterzwammen, berijpte en roze russula's, rimpelende melkzwammen, berkenboleten, wortelende aardappelbovisten, parelammanieten. Dit is nog maar een gedeelte van wat hier in de herfst uit de vochtige grond te voorschijn komt aan schijven en bolletjes in waterige tinten geel, groenig, rose en bruin. Vrij gedekte kleuren zoals men dat in de kledingindustrie pleegt te noemen. Tot ineens op een dag de paukenslag van de vliegenzwammen de fijnzinnigheid van de herfst te niet doet. Dat felle rood met witte stippen. Wie sprak daar van een clownspak. Kleuren kunnen in het Nederlands ook behoorlijk luid zijn. Vorig jaar hadden we er veertien, waarvan sommige zo groot als ontbijtbordjes. Het is de laatste uitbundige uitbarsting, de laatste stuiptrekking van de natuur voor alles wegzakt in grijsheid en nevel.

In de winter lopen wij net zo veel en vaak over ons terrein als in de andere seizoenen want er is geen stilstand. Het opgloeien in de beijzelde struiken van de rozebottels van de egelantieren is niet minder mooi dan hun bloei, de verpluisde bloeiaren van de gulden roede zijn mooier dan het gulle geel dat ze in de zomer ten toon spreiden. Vooral de stilte van het winterseizoen is adembenemend. Soms hoor je ineens een vreemd snavelachtig praten hoog in de kille lucht en even later zie je grote V-vormige vluchten ganzen overkomen op weg naar het zuiden. Het kan dat als je een hoopje dorre bladeren optilt er een egel onder ligt, diep verzonken in zijn winterslaap. Wanneer de vijver bevroren is zie je onder het ijs, die weckfles van de natuur, de bruin geworden krabbescheren op de bodem liggen als verstarde waterwezens. Als het rijp gevroren heeft toont de godin Flora zich nog eenmaal in haar nachtgewaad, minder kleurrijk maar even blinkend als in het voorjaar. De structuur van dorre planten wordt helder als op een diapositief. Je bevindt je in een wereld van dooraderd marmer.