Vuurtoren

Op de dijk, want het is toch weer een mooie avond die valt. De wind is afgenomen, de lucht opgeklaard. De Waddenzee lebbert aan de beschoeiing.

De ene man heeft de dijk min of meer persoonlijk aangelegd; dertienëneenhalf jaar heeft-ie erover gedaan. Hij staat op klompen en lijkt op...stem, snor, ogen: Swiebertje! De andere is handig op een hekje gaan zitten. Zo donker en pezig zou je een man eerder in Spanje verwachten. Hij werkt op de vuurtoren.

“Vijfëntwintig jaar geleden”, zeg ik, “was ik hier voor 't eerst. Toen had je bij de vuurtoren nog twee duinenrijen met een prachtige vallei ertussen.”

“Toen ik als kind op school zat”, zegt de man op klompen, “werden we eens per jaar op een platte wagen geladen, en dan een paard ervoor, en dan het eiland rond. Toen moest je bij de vuurtoren tien minuten lopen eer je op het strand was.”

Nu zou er, als hij niet tijdig in het asfalt was gezet, geen vuurtoren meer staan. Maar ja, zeestromen, kustafslag, dat heeft wel iets natuurlijks. Van andere dingen op Texel kun je dat niet zeggen. Wat een mensen, wat een Duitsers. De huisjes barsten als puisten uit het landschap.

Aan de einder vervaagt het verschil tussen hemel en aarde. In het roepen van de vogels klinkt al de leegte van de nacht. We bekijken nog even of het wad goed ligt en zeggen dan tot kijk maar weer. De zon gaat uit, de vuurtoren aan.