"Topsporter heeft recht op verzilveren populariteit'

AMSTERDAM, 5 JUNI. In het voorjaar van 1990 deed Gerrie Knetemann met zijn vrouw boodschappen in een supermarkt. Tot zijn verbazing bemerkte de oud-wielrenner bij het afrekenen van enkele blikjes fris dat zijn naam door een frisdrankenfabrikant was verbonden aan een reclame-actie: "Win drie dagen Tour de France met Gerrie Knetemann'. Knetemann, die geen toestemming had gegeven voor het gebruik van zijn naam, eiste een schadevergoeding en werd door de rechtbank in Amsterdam in het gelijk gesteld wegens "een ongeoorloofde inbreuk op zijn privacy'.

Knetemann is niet de enige topsporter die is geconfronteerd met het zonder toestemming gebruiken van zijn bekendheid. Ook bokser Arnold Vanderlijde en marathonschaatser Yep Kramer zijn in het recente verleden in aanraking gekomen met reclame-uitingen van bedrijven die, oordeelde de rechter, op onrechtmatige wijze een verband suggereerden tussen hun produkt en de beide sporters.

Over de rechtspositie van topsporters (amateurs en profs) bestaat - niet alleen waar het de exploitatie van hun bekendheid door derden betreft - veel onduidelijkheid. Het Statuut voor de topsporter, "een collectieve of wettelijke raamregeling van de rechtspositie van de topsporter in relatie tot de sportorganisaties en andere personen of instanties die bij de topsportbeoefening betrokken zijn', moet daar verandering in brengen. De laatste bouwsteen voor dit statuut, dat na de zomer gereed moet zijn, werd gisteren in de vorm van een rapport aan minister d'Ancona van WVC aangeboden. In dit rapport, "Exploitatie van naam, persoon en prestatie van de topsporter', pleit de opsteller, professor Heiko van Staveren, bijzonder hoogleraar Sport en Recht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, voor het recht van topsporters op het verzilveren van hun populariteit. In de praktijk betekent dit dat niemand straffeloos de naam of beeltenis van een topsporter voor commerciële doelen mag gebruiken.

Een andere aanbeveling betreft de emancipatie van de topsporter. Van Staveren komt tot de conclusie dat sportbonden sporters niet langer automatisch kunnen verplichten om aan hun wensen gehoor te geven. Van Staveren spreekt in het rapport van conflicterende sponsoring: tegenstrijdige commerciële belangen tussen een sportbond of sportorganisatie en een topsporter. Het is niet ongewoon dat een sportbond, bijvoorbeeld de KNVB, een sponsor-overeenkomst heeft met een andere sportkledingfabrikant dan een speler die geselecteerd is voor het Nederlands elftal. Dergelijke situaties hebben zich in het verleden veel voorgedaan en zorgen nog steeds voor conflicten. In de jaren zeventig was de rechtszaak tussen Enith Brigitha en de Koninklijke Nederlandse Zwembond een van de eerste gevallen van conflicterende sponsoring. Brigitha wilde zwemmen in een badpak van de firma die haar sponsorde. De KNZB eiste echter dat de zwemster een badpak van de bondssponsor aantrok. De zwembond werd door de rechter in het gelijk gesteld, omdat het belang van de KNZB groter was dan dat van Brigitha. De voorstellen van Van Staveren betreffende conflicterende sponsoring dammen de macht van de sportbonden en sportorganisaties in en geven de topsporters een gelijkwaardige positie.

Volgens Van Staveren, die een kwartetspel met afbeeldingen van voetballers uit de jaren vijftig bij zich had (“In de toekomst is zoiets zonder toestemming van de afgebeelde spelers strafbaar”), is het nog niet duidelijk welke status het Statuut voor de Topsporter zal krijgen. De hoogleraar ziet twee mogelijkheden: een wettelijke status of een “in de sfeer van een collectieve arbeidsovereenkomst”. De hoogleraar geeft de voorkeur aan het laatste omdat een wettelijke status minder snel veranderd of aangepast kan worden. Ook denkt Van Staveren dat topsporters directer betrokken zullen zijn bij een collectieve arbeidsovereenkomst.