Tom & Jerry

K. Schippers vergelijkt in zijn artikel van 22 mei het werk van Magritte met de Tom & Jerry cartoons van Hanna en Barbera. Hij is natuurlijk niet de eerste die de surrealistische kwaliteit van dit soort cartoons onderkent. Sterker nog, ik zou zijn opmerking "De films van Tom & Jerry zijn aan vergezochte verklaringen ontkomen' willen bestrijden.

Ik heb bij voorbeeld tien jaar geleden voor mijn sociologiestudie aan de Erasmus Universiteit een werkstuk over het tweetal geschreven. Korte samenvattingen daarvan verschenen in Neerlands Volksleven (ja, daar kom je dan terecht), 1984 en Skrien, zomer 1984 ("De existentiële humor van Tom & Jerry'). Ik vind mijn verklaringen best vergezocht.

De essentie van mijn betoog is dat dit soort tekenfilms, met behulp van de surrealistische technieken, de kijker steeds weer confronteert met het feit dat hij naar een produkt van de menselijke geest zit te kijken. Dat gebeurt elke keer als hij zich heeft laten meeslepen door het verhaaltje. De kijker wordt heen en weer geslingerd tussen "geloof' in het fantasiewereldje van Tom & Jerry en het ontnuchterende, verlossende effect dat bereikt wordt met de surrealistische grappen. Dit kon alleen werken dankzij de hoge esthetische kwaliteit van de animatie.

Vergezocht was vooral het verband dat ik legde met de fenomenologische kennissociologie van Berger en Luckman (The Social Construction of reality, 1975). Dezen stellen dat onze interpretatie van het leven afhangt van onze "definitie van de situatie'. Deze definitie verandert halverwege elke Tom & Jerry scène minstens drie keer. De kijker ontdekt dat de realiteit verandert met iedere nieuwe definitie van de situatie. Ik meende daardoor te mogen concluderen dat Tom & Jerry cartoons tot het rijk van de kunst behoren, net zoals Schippers in zijn artikel aangeeft. Helaas concentreert de discussie in de Verenigde Staten zich al meer dan tien jaar volkomen misplaatst op het "geweld' in Tom & Jerry.