Schoenmaekers

In haar bespreking van Het Beeldende Denken, Leven en Werk van Mathieu Schoenmaekers (1875-1944) in het CS van 8 mei verwijt Marty Bax mij dat ik in mijn bijdrage tot dit boek nalaat Schoenmaekers' plaats in de kunstgeschiedenis en de filosofie te verduidelijken.

Zoals ik in het boek uiteenzet, heb ik mij in mijn eerste publikatie over deze geheel in vergetelheid geraakte auteur willen beperken tot het geven van een samenvatting van zijn filosofie, hetgeen ik deed door zijn notie van "universele relatie van tegendelen', het centrale thema van zijn denken, als uitgangspunt te nemen. Het heeft weinig zin Schoenmaekers' mogelijke bronnen na te gaan als de lezer niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld van zijn ideeën zelf in grote lijnen kennis te nemen. Ik heb in mijn bijdrage getracht de gedachte van de universele tegendeligheid op haar consistentie te onderzoeken en de interne tegenstrijdigheden ervan aan het licht te brengen. Aan de vraag in hoeverre ik daarin ben geslaagd, is de recensente niet meer toegekomen.

Mijn bijdrage behandelt de filosofie van Schoenmaekers en is allerminst uit op een "confrontatie' van zijn ideeën met die van Mondriaan. Slechts in een aantal noten heb ik willen laten zien dat het thema van de tegendeligheid ook in het denken van Mondriaan een centrale plaats inneemt. Wie slechts de geschriften van Mondriaan kent, zal het betoog van Schoenmaekers misschien als "een parafrase van de ideeën van Mondriaan' in de oren klinken, maar omgekeerd zal wie het werk van Schoenmaekers kent, de teksten van Mondriaan een parafrase van Schoenmakers' ideeën vinden, hetgeen Marty Bax zich blijkbaar niet heeft gerealiseerd. De vraag wie wat aan wie heeft ontleend, leek mij van minder belang dan de vraag bij wie een historisch relevant idee het helderst en meest consistent tot uitdrukking komt.

Hier blijkt hoezeer Mondriaan en Schoenmaekers elkaar aanvulden: wat Mondriaan picturaal gestalte wist te geven maar filosofisch slechts zeer onbeholpen vermocht te formuleren, kon Schoenmaekers scherp en kernachtig onder woorden brengen maar niet kunstzinnig duidelijk maken. Dit fundamentele verschil in geaardheid maakte dat zij uiteindelijk weinig genegenheid voor elkaar konden opbrengen. Maar uit de omstandigheid dat Mondriaan zich tegen Schoenmaekers afzette, kan men niet afleiden dat hij geen waardering voor zijn ideeën zou hebben gehad of er niet door zijn beïnvloed. De bewondering die Mondriaan ook in latere jaren nog voor Schoenmaekers als denker had, moge blijken uit een mededeling van de Belgische kunstenaar Michel Seuphor, vermeld in diens biografie over Mondriaan.

“In 1930 gaf hij me een boek te lezen. Het was Het Nieuwe Wereldbeeld van de Nederlandse theosoof Schoenmaekers. Toen ik hem het boek een paar dagen later wilde teruggeven, zei hij me dat ik het boek mocht houden, dat hij er een tweede exemplaar van had. Dit is des te opmerkelijker als men bedenkt dat Mondriaan geen boekenminnaar was; hij bezat zelfs niet het begin van een bibliotheek. (-) Is het daarom niet van de hoogste betekenis dat hij twee exemplaren van Schonemaekers' boek had bewaard? (-) Mondriaan schijnt speciaal van dit boek te hebben gehouden. Hij had opgemerkt dat ik er "rijp voor was'.”

Wat Marty Bax aangaande het "auteurschap' van de Nieuwe Beelding suggereert, snijdt geen hout. Het is juist het door de leden van De Stijl geadopteerde begrip beelding geweest dat, zoals algemeen wordt erkend, door Schoenmaekers een voor de moderne kunst nieuwe betekenis heeft gekregen. Beelden in deze nieuwe zin wilde zeggen: uitdrukking geven aan de universele relatie van tegendelen. Het belang van Schoenmaekers voor de kunstenaars van de Nieuwe Beelding wordt door bij voorbeeld Seuphor en Van Doesburg nadrukkelijk bevestigd.