Paul de Wispelaere: Het verkoolde alfabet; ...

Paul de Wispelaere: Het verkoolde alfabet; dagboek 1990-1991. Uitg. Arbeiderspers, 299 blz. Prijs ƒ 45,-.

Ward Ruyslinck & Monika Lo Cascio: De speeltuin. Uitg. Manteau, 149 blz. Prijs ƒ 24,90.

Pim Wiersinga: Honingvogels. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 183 blz. Prijs ƒ 32,50.

Bob van Laerhoven: Cadavra exquis. Uitg. Dedalus, 208 blz. Prijs ƒ 29,90.

Gie Bogaert: Keizer Doede. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 125 blz. Prijs ƒ 27,50.

Het is natuurlijk absurd om de schrijver van een autobiografie of een dagboek te verwijten dat hij te veel met zichzelf bezig is. Maar er zijn vele manieren om het over jezelf te hebben en de zelfbehagelijke is niet de meest aantrekkelijke.

De Vlaamse criticus, essayist, romanschrijver en hoogleraar Paul de Wispelaere is lang niet ontevreden met zichzelf en met wat hij heeft geschreven. In het dagboek dat nu in de reeks Privé-Domein is verschenen, legt hij steeds geduldig en zonder enige tegenzin uit wat er in zijn eerdere boeken staat, vooral wat betreft vroegere geliefden. Het is voor een lezer wel eens moeilijk hun dezelfde aandacht te geven die ze van de schrijver krijgen. Het verslag van zijn liefde voor Ilse, zijn 36-jaar jongere vrouw, daarentegen, is wel steeds boeiend en vaak ontroerend. Door het leeftijdsverschil is het liefdesverhaal vrij melancholisch getint, en in die weemoedige stemmingen is De Wispelaere op zijn best. Wat minder goed slaagt, is de beschrijving van zijn dagelijkse leven. Hij probeert dat nogal eens poëtisch te doen waardoor de alledaagsheid de indruk maakt van een slecht zittend zondags pak aan te hebben. Hinderlijker nog zijn de stereotiepe adjectieven waarmee hij zijn relaas opsiert: de wijn is altijd koel, de sigaar geurig, het bad verfrissend en de boom schaduwrijk. Over maatschappij en milieu zegt hij verstandige dingen maar hij kan er ook behoorlijk sentimenteel over doen. Die sentimentaliteit, die het boek iets weeks, iets romigs geeft, leidt hem ook tot verschrikkelijke opmerkingen. Als een vriendin haar hand schroeit aan de urn van haar gecremeerde zoon, schrijft hij: “Wat zij gevoeld moet hebben was het vuur van de laatste keer dat zijn jonge lichaam had gegloeid.” Hoe krijgt iemand het uit zijn pen.

Paul de Wispelaere: Het verkoolde alfabet; dagboek 1990-1991. Uitg. Arbeiderspers, 299 blz. Prijs ƒ 45,-.

Net als De Wispelaere legt Ward Ruyslinck in zijn nieuwe boek publiekelijk getuigenis af van een overweldigende liefdesgeschiedenis. Het is een roman in brieven, geschreven samen met de vrouw die ook in het werkelijke leven zijn partner is, zo vertrouwt de flap ons toe, met de waarschuwing erbij dat de roman overwegend fictie is. Het is goed om dat te weten, want zelfs de schrijvers van een boek dat zo mislukt is als dit, mag je de ellende niet toewensen die ze beschrijven. Beiden waren getrouwd toen ze op elkaar verliefd werden en hun wettige echtgenoten hebben niets nagelaten om hun verhouding en hun leven te vergallen. Waarom de verliefden dat allemaal hebben laten gebeuren, wordt niet helemaal duidelijk. Ze geven immers meer om hun wettige aanhangsels, zoals de man het noemt. Zelf willen ze geen permanente of volledige relatie: “Mensen zijn niet gemaakt om full-time lief te hebben en gelukkig te zijn. Dat zou uitputtend zijn”, schrijft de man. Ze willen wel een kind maar vinden het niet verstandig er een te maken en scheppen zich daarom een verbeeldingskind, een elfenkind, een regenboogkind. Dat leidt ook al niet tot geluk.

In tegenstelling tot de liefdesgeschiedenis van De Wispelaere en Ilse, is die van het tweetal in dit boek altijd irritant. Wie schrijft er nu van zijn geliefde dat ze "een kruis als een gloeiende vulkaankrater' heeft. Dat is lyriek van een lummel. Het hele boek door is de toon er naast. Wat ontroerend had kunnen zijn, is plat, wat fel had kunnen zijn, is gezeur, wat geestig had kunnen zijn, is zouteloos.

Ward Ruyslinck & Monika Lo Cascio: De speeltuin. Uitg. Manteau, 149 blz. Prijs ƒ 24,90.

Het debuut van Pim Wiersinga is een roman vol geheimzinnigheid, verraad, moord en dromen. Wiersinga schept een mysterieuze sfeer door de lezer steeds weer te laten raden of bepaalde gebeurtenissen in de werkelijkheid van de figuren plaatsvinden of in hun verbeelding. Het verhaal wordt gepresenteerd als een geschiedenis die zich aan het eind van de negentiende eeuw heeft afgespeeld, nu eens in China en dan weer in Antwerpen, met een uitloper naar de jaren twintig van deze eeuw. Omstreeks 1845 kreeg de directeur van de Antwerpse dierentuin een negerjongen cadeau, gelijk met een partij honingvogels. De jongen werd als een soort veredelde aap tentoongesteld en voerde een dolkomische act op. Hij kreeg een katholieke opvoeding, werd Jozef genoemd en trouwde met een Antwerps meisje. Hun dochter Jozefien had op haar 22-ste zo genoeg van Antwerpen dat ze met behulp van haar Chinese minnaar en de zoon van de directeur van de dierentuin naar China verdween. Daar schijnt ze het gebracht te hebben tot concubine van de keizer. Als ze een jaar of dertig later terugkeert en intrekt bij Ludo Kets, de directeurszoon, weet niemand wat er nu eigenlijk in China gebeurd is. Kets heeft daar last van. Als hij zeker wist dat ze een mislukt leven tot een droom had gefantaseerd, zou hij daar vrede mee hebben, maar de onzekerheid kan hij niet verdragen. Op zijn beurt gaat hij fantaseren over wat misschien haar fantasie is. Het verhaal wordt dan steeds ingewikkelder, maar Wiersinga houdt de touwtjes stevig in handen, en al kan hij niet voorkomen dat de vele intriges de spanning wel eens doen verslappen, zijn debuut is een zeer lezenswaardige roman geworden.

Pim Wiersinga: Honingvogels. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 183 blz. Prijs ƒ 32,50.

Bob van Laerhoven is iemand die met dikke woorden over dikke gebeurtenissen schrijft. Niets macho's is hem vreemd. Of hij nu over Phnom Penh schrijft zoals in Intiem bombardement of over een Duits concentratiekamp zoals in Feria, de mannentaal blijft altijd even stoer. Ook in zijn nieuwe roman, die Cadavre exquis heet. De hoofdpersoon is een schilder die op zijn vijftigste ineens niet meer kan schilderen. Hij steekt dan het ouderlijk huis in brand, komt terecht in een psychiatrische inrichting en moet als therapie zijn herinneringen opschrijven. Die teksten vormen dit boek en het zijn zeer sterke verhalen. Bij zo'n psychopatische, gefrustreerde en geblokkeerde schilder is het moeilijk te zeggen wat op waarheid berust en wat overspannen fantasie is. Heeft die schilder werkelijk geassisteerd bij de zelfmoord van een Japanse zwaardvechter, heeft hij een geisha verkracht en zijn geliefde verdronken? Het thema van de spanning tussen werkelijkheid en verbeelding lijkt wel wat op dat van Wiersinga, maar het verschil is dat Wiersinga's uitgangspunt veel interessanter is, en dat Van Laerhoven het beetje belangstelling dat je voor zijn hersenspinsels zou kunnen hebben, wegschreeuwt. Ook als hij zich even koest houdt, komt hij nog met vreemde poëtische verlangens en obervaties: hij wil graag dat zijn tong droog en glad wordt als het maagvlies van een koe (dat maagvlies dat we allemaal zo goed kennen) en hij heeft een zwaard gezien met een zichtbare ziel. Helemaal op het eind komt het diepste geheim van de schilder aan het licht en dat is zo modieus-banaal dat niemand ervan zal opkijken.

Bob van Laerhoven: Cadavra exquis. Uitg. Dedalus, 208 blz. Prijs ƒ 29,90.

“De bode keek naar het huis van Ruth. De luiken waren nog dicht. Ruth laat de luiken de hele ochtend dicht. Tegen de zon, zegt Ruth.” Van een boek dat zo begint, denk je onwillekeurig dat het een herschrijving gaat worden van Ot en Sien of een vervolgdeeltje op Ik kan al lezen. Dat wordt het niet. De roman van Gis Bogaert is zeker niet voor kinderen geschreven en gaat allerminst over kinderlijke zaken. Het boek speelt in een Vlaams dorp op een uitzonderlijk warme zomermiddag. Op een bankje in de schaduw van de beuk op het plein zitten een paar mannen en een vrouw te praten over van alles en niets. Het lijkt een dorp waar nooit iets gebeurt, zeker niet tijdens een hittegolf. De werkelijkheid is anders. In de voorgaande nacht heeft iemand een raar woord geklad op het huis van burgemeester Malfait. Op het bankje zitten ze te kijken hoe de doodgraver die letters wegschuurt. Malfait denkt dat de eigenaardige jongen Doede het heeft gedaan. Hij laat de moeder van de jongen bij zich komen en raadt haar dreigend aan om Doede naar een inrichting in de stad te sturen. Ook in de andere huizen, waar geen geluid uit komt en van buiten geen leven te zien is, heerst een dreigende sfeer van angst voor armoede en ziekte, van moedeloosheid en onrust. De meisjes zijn niet veilig voor de opgeschoten jongens die aan de buitenkant van het dorp rondzwerven, maar het grote slachtoffer is Doede.

Het is even wennen aan de quasi-naïeve toon, maar wie zich daardoor niet laat afschrikken, maakt een benauwend hete zomermiddag mee in een benauwend broeierig dorp.

Gie Bogaert: Keizer Doede. Uitg. Meulenhoff/Kritak, 125 blz. Prijs ƒ 27,50.