Naar een ver land

De koning keek om zich heen. Hij zag zijn vrienden uit de tijd van toen hij nog prins was, maar hij zag ook, dat het er steeds minder werden. Eigenlijk nog maar een stuk of wat. Mensen, die hij in een goede bui op de schouder kon tikken, of desnoods aan een oor mocht trekken. Tegen wie hij kon zeggen: Bevalt het jullie nog steeds, hier aan mijn hof? En die dan meteen zouden knikken of zelfs een buiging maken. Nog maar twee of drie en morgen misschien nog maar een of twee.

Maar met de nieuweren, de jongeren ging dat niet. Als de koning hen zou vragen: Wèl Van Dam, of wèl Van Isselt, wat vinden jullie van ons leventje? dan zouden ze eerst goed rondkijken om te zien of de anderen het wel konden verstaan, om daarna heel duidelijk te zeggen: Sire, we vinden, dat het hier helemaal niet deugt. En als de koning zou vragen: Maar wat deugt er dan niet? dan zou hij te horen krijgen: Niets deugt hier. Alles moest veranderd worden.

De koning vroeg het niet eens, want hij kende de antwoorden. Antwoorden, die hij niet begreep. Hij liep naar een van de ramen om naar buiten, naar de tuin te kijken, maar dat hielp ook niet, want de gordijnen waren dicht. Hij dacht: Wat ben ik voor een koning? Ik durf niet eens de gordijnen van mijn eigen paleiszaal open te schuiven.

En toen dat goed tot hem doordrong, dacht hij: Weet je wat ik ga doen? Ik ga weg. Ze zullen me niet eens missen.

Dat was nog waar ook, want toen hij bij de deur kwam en zich omdraaide, zag hij hoe ze allemaal stonden te luisteren naar Van Dam en naar Van Isselt en niemand die zich iets aantrok van de man die de deur achter zich dichtsloeg.

Hij liep de trappen af van het bordes. Hij liep door de straat van zijn paleis en door andere straten. En juist toen hij dacht: Wat is het hier stil? hoorde hij achter zich het geluid van een paard en rijtuig.

Hij bleef staan. Het paard bleef ook staan. Er zat een koetsier op de bok, die hij nauwelijks kon onderscheiden, zo zwart was alles in de nacht. Hij zag nog net dat de man zich half omdraaide en met zijn zweep naar het portier wees. Toen de koning instapte, hoorde hij vragen: Waarheen?

Naar een ver land, zei de koning. Hij liet zich in de kussens zakken. Hij hoorde het paard nog een tijdje draven. Hij viel in slaap en toen hij wakker werd, zag hij, dat de koetsier hem werkelijk had gebracht naar het land dat hij zichzelf had beloofd.