Met de duivel op de hielen

Andreas Sinakowski: Na een lang rokend zwijgen. Vertaald door Gerrit Bussink. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 183 blz. Prijs ƒ 29,90.

Autobiografieën zijn altijd een vorm van zelfrechtvaardiging, hoe oprecht de auteur ook tracht te zijn. Andreas Sinakowski (1960) werkte bijna zes jaar voor de gehate Staatssicherheitsdienst van de DDR, en volgens zijn Nederlandse uitgever schreef hij daar een "genadeloos eerlijke' roman over. Na een lang rokend zwijgen gaat slechts zijdelings over de slachtoffers van Sinakowski's verklikkerswerk. Niet met hen moet de lezer medelijden hebben, maar met de schrijver zelf, wiens ellendige lot al bij zijn geboorte was bezegeld.

Andreas, een ongewenst en onbemind kind, is overgeleverd aan de grillen van hebzuchtige, geile en gewelddadige volwassenen die hem geen enkel detail van hun geestelijke en lichamelijke teloorgang besparen. Zijn moeder steekt een handtastelijke kerel dood en belandt in de gevangenis, zijn stiefvader kan zijn handen niet thuishouden wanneer hij te veel gezopen heeft en zijn stiefoma gebruikt de jongen als surrogaatechtgenoot en bediende. “Kwam ze overeind uit de berg kussens die zich onder haar rode haar stapelde, dan was ook mijn nacht beëindigd. Een onafzienbare werkdag begon. Met messcherpe canules moest ik de etterende blaren onder haar voetzolen openmaken. Pas daarna slaagde zij erin onder vreselijke pijnen door de woning te wankelen. Als aan de tomaten, die zij als salade verorberde, ook nog maar een klein stukje vel zat, dreigde ze dat ze zou sterven.” Onder het schrikbewind van deze oude feeks ontwikkelt Andreas zich tot een willoze en eenzame jongeman.

Op school dreigt deze buitenstaander te mislukken, wat ook met zijn joodse afkomst te maken heeft. “Hoeveel joden gaan er in een Trabant? Dertig: vier kunnen er zitten en de andere zesentwintig gaan in de asbak.” Met dergelijke moppen pesten zijn klasgenoten hem steeds vaker. De enige die er een stokje voor steekt, is een rechercheur van de Stasi en dat verplicht de scholier Sinakowski tot eeuwige dankbaarheid jegens deze beminnelijke vaderfiguur en de "antifascistische' organisatie waardoor de man gestuurd werd.

Homoseksueel

Alsof een ongelukkige jeugd en een joodse moeder nog niet voldoende zijn, verklaart Sinakowski de ijver waarmee hij zijn medeburgers verlinkte ook nog eens door zijn homoseksuele geaardheid. De in zijn land florerende homo-haat had hij dermate verinnerlijkt dat hij vurig hoopte door het koelbloedige spionagewerk "een echte man' te worden.

De motivatie die deze verklikker voor zijn daden geeft zit vol tegenstrijdigheden, maar gek genoeg maken die nu juist een heel geloofwaardige indruk. Waarom zou een uitgesproken rechtvaardigheidsgevoel niet met ijskoude mensenverachting kunnen samengaan? De Stasi bood Andreas de kans al het hem aangedane onrecht te vergelden, en dat op een uiterst opwindende manier. Sinakowski komt er rond voor uit dat het spioneren hem een kick gaf: "Het was kwaadaardig en leuk.' Zijn tevreden baas beloonde hem met schouderklopjes, kaviaar en bankbiljetten.

In totaal hielp hij zijn "vrienden', veelal kunstenaars met wie hij een levendig anaal verkeer onderhield, aan zeker vierentwintig jaar gevangenisstraf, rekent Sinakowski ergens uit. Dat ging hem uiteindelijk toch wat te ver. Begin 1985 liet hij zich naar West-Berlijn overplaatsen, waar hij direct bij aankomst asiel aanvroeg. Sindsdien kan hij zijn bedgenoten weer recht in de ogen zien.

De autobiograaf verwijt zijn oppositionele kennissen dat zij net als alle andere DDR-burgers blind waren voor dingen die hen niet bevielen. Herhaaldelijk zou hij hun opgebiecht hebben dat hij voor de Stasi werkte, maar zijn boodschap was aan dovemansoren gericht. Hij hoeft zich niet schuldiger dan anderen te voelen. Immers, ook de grootste vijanden van de Stasi zouden deze indirect toch hebben gesteund doordat zij haar bestaan botweg ontkenden. Sterker nog: eigenlijk vindt Sinakowski dat hij een beter mens was dan het gros van zijn landgenoten. Hij had tenminste in de gaten hoe verrot het systeem was, en, ook al klinkt het vreemd voor een spion, hij leidde tenminste geen dubbelleven. Anderen leken voor de buitenwereld brave burgers, maar waren in werkelijkheid schoften; hijzelf was gewoon "ziek' zonder keurige façade.

Tijdens het schrijven van zijn roman denkt Sinakowski dikwijls aan vrienden in Israel, die zich met gasmaskers op tegen Saddams Scud-raketten trachten te verweren. De underdog, of hij die zich daar handig mee identificeert, kan altijd op sympathie van de goegemeente rekenen.

Na een lang rokend zwijgen is geschreven met de gedrevenheid van iemand die door de duivel op de hielen wordt gezeten. Dat leidde, althans in de authentiek aandoende vertaling, tot indrukwekkende beelden, maar ook tot haastig neergekwakte en soms onduidelijke zinnen. Een groot theoreticus is Sinakowski zeker niet. Zijn uiteenzettingen over de staat bijvoorbeeld leunen wel erg op het denkwerk van andere auteurs. Maar nare types beschrijft hij werkelijk virtuoos.