Makin' whoopee uit kille berekening; Roman van Lisette Lewin over een moffenhoer

Lisette Lewin: Een hart van prikkeldraad. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 429 blz. Prijs ƒ 39,90.

Het meest curieuze aan Een hart van prikkeldraad, een omvangrijke roman over een moffenhoer, is misschien wel dat het geschreven is door iemand die zelf als joods meisje in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken heeft gezeten. Lisette Lewin schreef eerder, in 1989, een roman die geheel of gedeeltelijk gebaseerd was op haar eigen ervaringen voor, tijdens en na de oorlog. Waarom zou uitgerekend zij zich in willen leven in de troebele gedachten en daden van een gewetenloos en opportunistisch meisje uit Katwijk? Met het grootste gemak verruilt dit meisje, maar nu onder een joodse naam, de armen van de bezetter voor die van de bevrijder. “Ik kuste mijn Canadees, stond op, danste door de kamer naar de wasbak. Spattend met het water, zong ik het hoogste lied: ”another season, another reason, for makin' whoopee...'.”

Makin' whoopee, dat is ongeveer het enige wat de Katwijkse graag en met overgave doet, al is het steeds met kille berekening. Het aantrekkelijke van zo'n romanpersonage voor een schrijver moet wel liggen in het zich verplaatsen en toch ook wel een beetje verlustigen in het zo totaal andere: in het absoluut slechte en weerzinwekkende dat zij met zoveel verve vertegenwoordigt.

Toch zijn er bij alle verschillen ook zekere overeenkomsten tussen Emma Morgenblatt, de hoofdpersoon van Voor bijna alles bang geweest en de verdorven Greetje van der Plas alias Jessica Carvalho uit de nieuwe roman. Beide meisjes leiden een geïsoleerd bestaan, na een onzekere en weinig liefdevolle jeugd, en zijn voortdurend op zoek naar iets of iemand, en vooral naar mannen. Ook Emma speelt op zeker moment, zonder veel scrupules, eventjes voor hoer om aan geld te komen. Hun gekwetste zelfgevoel proberen ze met veel amoureuze uitspattingen te herstellen, maar met weinig resultaat. Want Emma belandt na twaalf ambachten en dertien ongelukken in een psychiatrische inrichting en Greetje - want zoveel slechtheid kon eenvoudig niet onbestraft blijven - verdwijnt tenslotte achter de tralies.

Details

Aan de geschiedenis van Emma viel, zeker ook literair, meer te beleven dan aan die van Greetje. Door de tamelijk brokkelige en grillige opbouw van Lewins eerste roman, bleef er, hoe lang zij ook toen al van stof was, nog wel wat te raden over. Prettig was dat zij geen moeite deed om Emma's doen en laten van commentaar en uitleg te voorzien, zodat zij tot de laatste bladzijde een tamelijke verrassende figuur kon blijven. In de levensbeschrijving van Greetje blijft ons echter nauwelijks een detail bespaard. Lewin kan mooi en goed vertellen, maar het is jammer dat zij zich in dit opzicht zo weinig beperkingen weet op te leggen. Het verhaal zou er waarschijnlijk erg op vooruit zou zijn gegaan met een verantwoorde keuze uit de overvloedige stof.

Het breidelloze vertellen heeft ook te maken met de vorm die Lewin koos - die van het achteraf bewerkte dagboek. De suggestie wordt gewekt dat Greetje in 1953, zeven jaar na de oorlog en vlak voor haar veroordeling, aan de hand van dagboekaantekeningen haar memoires schreef. Zij doet niet haar best om sympathie voor zichzelf te wekken, of om de zaken mooier voor te stellen dan zij waren. Overduidelijk is dat dit meisje haar ziel al jong en onherroepelijk aan de duivel heeft verkocht. Kalmpjes stelt ze vast dat ze een hart van prikkeldraad heeft en onbekommerd geeft zij blijk van antisemitische overwegingen, opgedaan op catechisatie.

Hoewel zij haar vele avonturen en avontuurtjes onderhoudend weet te beschrijven, raakte ik op den duur wat verzadigd van het boosaardige wicht, dat de ene wandaad op de andere bljft stapelen, ongeacht of haar tijdelijke liefje nu lid is van een Duits executiepeloton, belast is met het oplossen van het jodenvraagstuk, verzetsheld is of oorlogsslachtoffer. Al bij het minste of geringste belust op wraak, stort zij aan de lopende band mensen in het ongeluk door ze aan te geven bij de SS, door anonieme briefjes te versturen met akelige berichten of door echtgenotes van minnaars op te bellen. Zoet smaakt haar wraak eigenlijk nooit omdat ze de consequenties van haar daden niet kan overzien.

“Een zwakke persoonlijkheid ben ik”, stelt Greetje ten overvloede vast in een van haar zelfanalyses, “door geboorte en opvoeding ertoe veroordeeld levenslang slachtoffer te zijn, iemand die zich altijd in de misère werkt, zonder de macht zich eruit te redden, die vernederd wordt en dan, ineens, kwaad wordt, zich gegriefd voelt, op de verkeerde manier in opstand komt en een heilloze weg inslaat die tot veel grotere rampspoed leidt.”

Er is iets vermoeiends en zelfs dodelijks aan een roman met zo'n puur slechte heldin, die van het begin tot aan het bittere einde geen enkele ontwikkeling ten goede mag doormaken, omdat daarmee al het voorafgaande als het ware teniet zou worden gedaan. Haar belevenissen rijgen zich aaneen, als een duister refrein dat, ruim vierhonderd bladzijden lang, alleen maar in verschillende toonaarden wordt herhaald. Want als het niet uit de breedte mag komen, dan wordt het vanzelf erg lang.