Laatste kans: Europa der staten

Als Nederland Indië zou kwijtraken, zou het “tot den rang van Denemarken afdalen”, dat wil zeggen: een onbetekenend land worden. Dit schreef eind 1945 een van de weinige Nederlanders die toen enige kennis hadden van internationale politiek. Dertig jaar later was het zover, want toen constateerde een van de hoogste ambtenaren van Buitenlandse Zaken in kleine kring dat in internationale gremia er net zo weinig naar Nederland geluisterd werd als naar Denemarken.

Waarom die obsessie met Denemarken, vergelijkbaar met de vrees die in het begin van de jaren '60 vele Engelsen koesterden: een "greater Holland' te worden? Denemarken was toch al jarenlang een gelukkig en welvarend land, zoals trouwens Nederland, ook na het verlies van Indië?

En wat macht betreft, dat valt ook nog wel mee: Denemarken heeft, met zijn neen tegen Maastricht, getoond heel het Europese eenwordingsproces een halt te kunnen toeroepen, zoals Nederland dertig jaar geleden bijna eigenhandig de Gaulle's Europese Politieke Unie heeft weten te blokkeren.

Hiermee is bewezen dat kleine landen wel degelijk een rol van betekenis in de geschiedenis kunnen spelen - zij het eerder als neenzegger dan als gidsland. Of die rol positief dan wel negatief gewaardeerd moet worden, is een andere vraag, die pas na analysering van de toestand beantwoord dient te worden.

Op dit ogenblik bevindt Europa zich, als gevolg van het Deense neen, in de situatie dat het proces dat in Maastricht in gang is gezet, op z'n minst technisch is komen stil te staan. Het moet nog blijken of de immanente dynamiek van de Europese integratie zo groot is, dat zij deze technische storing zal weten te overwinnen.

Optimisme is hier niet op zijn plaats. Wat dat betreft, zouden we leergeld moeten hebben betaald. Immers, alle Europese kanselarijen hadden op grond van de officiële signalen uit Kopenhagen een andere uitslag verwacht dan op 2 juni uit de bus kwam.

Staatssecretaris Dankert was die avond dus even verbouwereerd als op de zwarte maandag van 30 september 1991, toen hij, ook op grond van officiële signalen (dat zijn de signalen waarnaar officiële mensen willen luisteren), een andere uitslag had verwacht dan het vrijwel eenstemmige Europese neen tegen de Nederlandse voorstellen.

In zijn verbouwereerdheid zei hij (volgens de Volkskrant van 3 juni): “Politiek is het onvoorstelbaar dat elf lidstaten zich door vijf miljoen Denen” - in feite zijn het er nog minder: vijftigduizend - “stil laten zetten. Dat is feitelijk toch onmogelijk. Dat kan niet”.

Misschien is dat inderdaad onvoorstelbaar, ja zelfs onmogelijk, maar intussen heeft het Deense neen president Mitterrand er wèl toe gebracht Maastricht ook in Frankrijk aan een referendum te onderwerpen. Een Frans neen zou Maastricht zeker niet overleven.

Nu horen we uit Frankrijk ook al dadelijk optimistische geluiden. Ja, het is zelfs een meesterzet van de aartspoliticus Mitterrand, want nu moet de oppositie, die hevig verdeeld is over Maastricht, met de billen bloot komen. Een overwinning voor Mitterrand kan niet uitblijven.

Ach, was het maar waar. Zal het Franse volk zich iets aantrekken van zulke partijpolitieke berekeningen? Ook het Deense volk heeft de politici, van wie 80 procent vóór Maastricht was, genegeerd. Dat zou in Frankrijk ook wel eens kunnen gebeuren.

Niet dat de Fransen zo tegen "Europa' zijn als de Denen altijd waren, maar zo'n referendum kan gemakkelijk gebruikt worden als een gelegenheid tot protest tegen de hele politieke klasse of alleen maar tegen de zittende regering, los van de eigenlijke vraag die aan het volk wordt voorgelegd. Zo is de Gaulle in 1969 zijn macht kwijtgeraakt.

Als Frankrijk neen zou zeggen - en volgens een publieke opiniepeiling van medio mei is slechts 40 procent voor Maastricht - zou een soortgelijke toestand ontstaan als in augustus 1954, toen de Nationale Vergadering weigerde het verdrag voor een Europese defensiegemeenschap in behandeling te nemen en daarmee het integratieproces eveneens tot stilstand bracht.

Weliswaar kwam dat het volgend jaar weer op gang, maar het moest tot 1 januari 1958 duren alvorens de Europese Economische Gemeenschap van start ging, en een Europese defensiegemeenschap is er tot op de dag van vandaag niet. Wat dat betreft, werd het Europese elan al 38 jaar geleden gebroken.

Zoiets kan zich herhalen. Na een Frans neen zou zeker opnieuw over Maastricht onderhandeld moeten worden, en dan zouden alle landen, Duitsland met zijn vrees voor zijn D-mark voorop, met nieuwe eisen komen. We mogen blij zijn als dit niet al na het Deense neen zal gebeuren, maar zeker is dit allerminst.

In elk geval heeft het Deense neen twee dingen aangetoond. In de eerste plaats de rebellie tegen de officiële politiek, die overal in Europa - maar ook in Amerika - broeit. In Denemarken uit die zich in een neen tegen Europa; in Frankrijk, Duitsland en Italië in het feit dat, bij verkiezingen, de oppositie niet profiteert van de impopulariteit van de regering; in Amerika in het succes van een Ross Perot; in Nederland in dat van Van Mierlo (bien étonnés de se trouver ensemble). Europa's integratie, produkt van de officiële politiek, kan slechts het kind van die rekening worden.

In de tweede plaats: ook als het Europese eenwordingsproces zo onomkeerbaar en dynamisch zou blijken te zijn dat het dit populisme zou overwinnen, dan nog lijkt het Deense neen te hebben aangetoond dat er grenzen aan zijn. Die grenzen liggen daar waar de economische integratie de politieke soevereiniteit van de nationale staat openlijk aantast. Die soevereiniteit mag dan nog zo mythisch of uitgehold zijn - hier ligt voor vele Europeanen (en Denen zijn ook Europeanen) de grens. Het federale Europa heeft geen kans, het Europa der staten misschien nog wel.