Jarig

Jan heeft zijn fiets nog steeds niet gevonden. Toch is hij vandaag blij. Want hij is jarig.

Jan: Ik ben nu jarig! Weet je wie op mijn feestje komt? Nee zeker. Deze komen er: Hein, Mark, Pieter, Ingrid, Henk en ikzelf natuurlijk!

Weet je wat we gaan doen?

Ik zal het jullie maar vertellen. We gaan een speurtocht doen. Leuk hè! Mijn moeder heeft hem uitgezet.

Wat zal ik nu krijgen, dacht Jan. Een auto, lego, trappenloper, wat zal ik nu krijgen?

Toen hij dat zei, kwam de eerste gast. Het was Ingrid. En toen kwam Pieter. En toen Hein. En toen Mark. En toen Henk. Ze waren er nu allemaal, zei Jan blij.

Eerst gaan wij kadootjes uitpakken. Weet je wat Jan gekregen heeft? Een pakje viltstiften. En nog veel meer!

Weet je wat de schat was?

Gouden munten. Leuk hè.

Maar ja, het ergste was dat zijn fiets er nog niet was, dacht Jan. Waar kan zijn fiets zijn?

(wordt vervolgd)