Jan Klaassen in een verschrikkelijke eeuw; Gesprek met gedaanteverwisselingskunstenares Cilli Wang

De Weense danseres Cilli Wang (83) speelde in het cabaret Die Pfeffermühle van Erika Mann. Tijdens de oorlog dook ze onder in Nederland. Daarna bleef ze hier. Ze speelde bij het Kurhaus Cabaret en trad op met een soloprogramma waarin ze verkleed als dienstmeisje of soldaatje de absurditeit van het leven onthulde. In 1975 ging ze terug naar Wenen. “Ik ben gelukkig hier. Maar ik heb de Anschluss hier dan ook niet meegemaakt,” zegt de "Pavlova van de parodie'.

Loquaiplatz in het zesde Bezirk van Wenen: een rustig groen park, ingeklemd tussen de drukke Mariahilfer-winkelstraat en de Wienzelle van de wereldberoemde Naschmarkt. Op het dak van het huis, dat zij van haar vader erfde, staat de uitgebouwde zolderflat van Cilli Wang, die in bijna alle landen van de aardbol optrad als cabaretière, pantomime-speelster, clown, danseres, "gedaanteverwisselingskunstenares'. Hijgend en puffend kom ik boven bij haar aan. Een lift kent het gebouw van vijf verdiepingen niet. Wang toont geen medelijden met mijn gesteun. Zelf 83 jaar, vindt ze het trappenlopen goede gymnastiek en “het houdt de ongemotiveerde bezoeker uit de buurt”.

Gemotiveerd ben ik. Graag wil ik uitvinden wat deze "stille, zeer gecultiveerde kleine dame' die op de planken in haar eenmansprogramma's “als dienstmeisje of boerenkinkel, als brutale straatjongen of in een van haar marionettenfiguren elk publiek, het meest naïeve zowel als het uiterst intellectuele, tot gierende vrolijkheid, tot totale verrukking wist te brengen”, denkt over haar leven, over de wereld van nu, over Wenen.

Hoe zij zich haar man, de regisseur, schrijver en boezemvriend van Elias Canetti, dr. Hans Schlesinger herinnert (van wie overigens bovenstaande beschrijving van Cilli Wang op de planken stamt). Wat in haar geheugen is blijven hangen van haar half jaar bij "Die Pfeffermühle', het politieke cabaret van de beroemde kinderen Erika en Klaus van de beroemde vader Thomas Mann. Hoe zij terugkijkt op haar onderduiktijd in Nederland, haar optreden bij Wim Kan in diens ABC-cabaret of bij Cor Ruys in het Scheveningse Kurhaus Cabaret, vlak na de oorlog.

Cilli Wang, in Wenen in 1909 geboren als Zäzilie Wang uit een joodse familie, kreeg een opleiding als danseres aan de Weense "Akademie für Musik und darstellende Kunst', waar gewerkt werd in de traditie van de "Ausdruckstanz' van Mary Wigman en Rudolf von Laban. Daarna begon ze al gauw op te treden in het Weense cabaret "Simpl' met in die tijd beroemde figuren als Fritz Grünbaum en Armin Berg. Het bleef daarbij niet bij dans en pantomime. Ze begon ook teksten te zeggen, niet alleen uit de gruwelijke kindercyclus Der Struwwelpeter, maar ook van Goethe en vooral van Christian Morgenstern.

Dit laatste had gevolgen. Hans Schlesinger, een in Breslau geboren Duitse filosoof, schilder en theaterregisseur, kwam naar Wenen om deze jonge vrouw, die Morgenstern voordroeg, van nabij te bekijken. Hij bleef voor haar in Wenen (zij trouwden in 1932) en hij werd er een belangrijke figuur in het progressieve theater. Hij raakte intiem bevriend met de schrijvers Hermann Broch en Elias Canetti. In 1981 schreef Canetti over hem in een catalogus voor een tentoonstelling over Cilli Wang in het Oostenrijkse Theatermuseum: “Hij was een van de eigenzinnigste geesten van het Wenen van voor de oorlog. Hij ontdekte Cilli en mij. Zij was zijn vrouw, ik was zijn vriend. Wij spraken veel over totale verandering, gedaanteverwisseling, het raadsel dat ons beiden constant bezighield. Elk gesprek daarover eindigde bij Cilli Wang. Zij was het voorbeeld, waarnaar hij steeds verwees.”

Monodrama

Schlesinger schreef een monodrama voor haar, ze kreeg steeds meer naam. Toen Lotte Goslar, de danseres die in Erika Manns Pfeffermühle een centrale plaats had ingenomen, uit dat cabaret wegging, werd Cilli Wang gevraagd haar plaats in te nemen. Van december 1935 tot mei 1936 behoorde ze tot het vaste team en reisde ze mee naar Zwitserland, Tsjechoslowakije, Nederland, België en Luxemburg. Menno ter Braak, die in Het Vaderland steeds uitvoerig over dit politieke cabaret, waarvan de teksten door de bange Nederlandse autoriteiten werden gecensureerd, rapporteerde, schreef begin 1936 dat Cilli Wang een waardige troonopvolgster was van Lotte Goslar.

Die Pfeffermühle bracht haar voor het eerst op de planken in Nederland, dat ten slotte haar tweede tehuis zou worden en waarvan ze in 1952 het staatsburgerschap zou krijgen. Ik spreek haar dan ook eerst aan op haar herinneringen aan die tijd. Die zijn gemengd. Voor het eerst was zij alleen in het buitenland en ze vond het niet altijd makkelijk met de oude rotten uit het cabaret, zoals Erika en Klaus Mann (en Therese Giehse, Magnus Benning, Sybille Schloss enz.) op te trekken. Aan Therese Giehse bewaart ze goede herinneringen, als talentvolle actrice en regisseuse, maar ook als warme hartelijke persoonlijkheid.

Met Klaus Mann, Thomas Manns oudste zoon die in 1949, gedeprimeerd over de naoorlogse ontwikkeling, zelfmoord zou plegen, ging zij vaak uit. Maar Erika, hoewel een knappe cabaretière en tekstschrijfster, beviel haar slecht. “Ze was arrogant, erg uit de hoogte. Ze noemde zich communiste, maar logeerde altijd in de duurste hotels. Ik kon dat niet rijmen. Gelukkig had ik altijd veel succes. Dat is belangrijk, niet waar?”

Cilli Wang nam destijds niet het werk over van Lotte Goslar, die veel harder en grotesker was dan zij zichzelf ziet. Ze deed haar eigen dingen in Die Pfeffermühle, die, zegt ze nu, er eigenlijk helemaal niet in pasten. Ze waren te veel zuivere humor, te literair, niet politiek. Maar met bewondering kijkt ze terug op hoe Erika Mann haar bijdragen zó in het programma wist te passen dat ze een politieke lading kregen. De Jan-Klaassen (Suppen-Kaspar) die zijn soep niet wil opeten verwees ineens naar de Grote Depressie, enzovoort.

Natuurlijk is Cilli Wang destijds niet zomaar op het aanbod van "Die Pfeffermühle' ingegaan. Dat het een anti-nazistisch cabaret was, was belangrijk, ook al waren haar eigen nummers niet primair politiek. Ook in Wenen had zij naam gemaakt in cabarets, waar zij teksten van haar man bracht die het nationaal-socialisme geen warm hart toedroegen. “Ach”, zegt ze nu, “het hele Weense cabaret in die tijd was anti-nazi.” Dat werd anders in 1934, toen de austro-fascist Dollfuss aan de macht kwam en de censuur toe begon te slaan.

Joodse Raad

Bij de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland in 1938 waren Cilli Wang en haar man in Engeland. Zij besloten niet terug te gaan naar Wenen en verhuisden naar Den Haag. Cilli trad op in het ABC-cabaret van Wim Kan en Corry Vonk, met wie ze bevriend raakte, en in de Mallemolen van Cor Ruys (“So ein lieber Mensch und so bescheiden; es war herrlich mit ihm zu arbeiten”, zegt ze over hem). Na de Duitse inval was dat snel uit. Ze moesten uit Den Haag weg, maar woonden in 1941/42 legaal als statenloze burgers in Hilversum. Totdat ze een oproep kregen van de Joodse Raad om zich te melden. Voor de Joodse Raad heeft Cilli Wang geen goed woord over.

“Mijn man en ik hadden al besloten niets te doen wat de massa ook deed. Maar mijn man is na die oproep wel gaan horen wat de Joodse Raad wilde. Dat was zeer onaangenaam. Deze heren maakten al die eenvoudige mensen wijs dat er iets positiefs stond te gebeuren. Ze moesten de hoogstnoodzakelijke spullen bij elkaar pakken en dan zouden ze keurig ergens worden ondergebracht. Heel sterk werd er op aangedrongen om onder alle omstandigheden te komen. Wij hebben toen meteen besloten onder te duiken en zijn weer naar Den Haag gegaan. Maar mensen van de Joodse Raad zijn ons in Hilversum nog komen zoeken en hebben onze vrienden daar gedreigd dat we ons absoluut moesten komen melden. Zo iets idioots. In plaats van dat ze blij waren dat mensen zelf wisten te verdwijnen gingen ze naar je op zoek. Een schandaal!”

Het is de enige keer tijdens ons gesprek dat boosheid in haar stem doorklinkt. Haar visie op de mens als een tragikomisch verschijnsel laat geen omzien in wrok toe. Na de Tweede Wereldoorlog kwam zij weer op bezoek in Wenen en zei tegen haar vrienden “in godsnaam geen wraak, geen vergelding”. Toch werden haar ouders in Zagreb door de nazi's gruwelijk vermoord; geen familielid woont nog in Wenen. Ook haar man overleefde de oorlog niet.

Over zijn dood, twee weken voor de bevrijding, vertelt zij zonder woede of opstandigheid. In Den Haag woonden Hans Schlesinger en Cilli Wang in de binnenstad, in het huis van de KRO-acteur Herbert Perquin. Eerst met hem samen, later alleen. Als "mevrouw Perquin' ging zij uit en deed de boodschappen. Er werd hard gewerkt in deze onderduiktijd. Al was er geen materiaal voor kostuums en rekwisieten, toch ontwierpen Schlesinger en zij een aantal nummers, waarmee Cilli Wang na de oorlog beroemd zou worden. Schlesinger werkte verder aan zijn boeken (een groot werk over de samenhang der kunsten en een laatste boek over de Openbaring). Bewust bereidden zij zich voor op het leven na de nazi-nachtmerrie.

“Mijn man heeft het niet meer beleefd. Hij is gestorven van schrik. Duitse soldaten belden bij ons aan. Ik ging open doen, maar nam veel tijd zodat mijn man, die niet erg mobiel was, zijn schuilplaats op zolder kon bereiken. De soldaten wilden alleen maar weten van wie een antenne op het dak was. Ik zei "dat weet ik niet. Hij is niet van mij'. De soldaten gingen toen weer weg, deden verder niets. Maar toen ik boven kwam was mijn man dood. Hij had een hartaanval gehad.

“Voor mij was dat heel treurig. Ik was geestelijk eigenlijk helemaal op hem aangewezen. Hij was mijn leidsman, mijn geestkracht. Ik kon zelf helemaal niet denken toen. Maar voor hem ben ik achteraf blij dat hij de ontwikkeling na de oorlog niet heeft meegemaakt. Die had hem zo teleurgesteld. Hij was veel optimistischer. Hij had zich van Duitsland na de nazi-tijd iets anders voorgesteld. Van de hele wereld. Alles gaat toch bergaf. Wat we nu beleven is het einde van een vreselijke eeuw. Zo denk ik er tenminste over.”

Cor Ruys

Na 1945 zat Cilli Wang niet bij de pakken neer. Cor Ruys was de eerste die haar een plaats aanbood, in het toenmalige Kurhaus Cabaret. Ook speelde ze bij Chiel de Boer, exposeerde ze kostuums in de Pulchri Studio en ging op tournee naar Indonesië om op te treden voor de troepen. Langzaam maar zeker bouwde ze genoeg nummers op voor een eigen avondvullend programma, aanvankelijk nog met tekst, later alleen met dans en pantomine. Tot haar eigen verbazing kreeg ze kort na 1945 zalen vol met een programma waarin ze Duits sprak. Kwam het door haar Weense achtergrond en accent dat de Nederlanders voor hun plezier naar dat gehate Duits kwamen luisteren? Ze vermoedt het.

In 1948 stond ze weer in Wenen op de planken, in de grote zaal van het Konzerthaus. Daarna bereisde ze de hele wereld met haar niet meer aan tekst gebonden programma; van Noord- en Zuid-Amerika tot Israel, van Zuid-Afrika tot Australië. Tot de jubileumvoorstelling (25 jaar solotoneel) in de schouwburg in Den Haag in 1971. Haar pianist, spreker van verbindende teksten en toneelmeester Wim de Vries wilde toen met pensioen en zij besloot haar toneelcarrière te beëindigen. In 1975 verhuisde ze van Nederland terug naar Wenen.

In die 25 jaar had zij een poëtische wereld op de planken gebracht, waarin simpele mensen, dienstmeisjes, kleine mannetjes, harlekijns, Tiroler dansers en acrobaten de absurditeit, de komische tragiek van het leven onthulden. Vaak deed zij dit met verbluffende kostuums en trucages. Zo danste ze alleen "The Big Battle East-West', waarin stevige politici, die elkaar in de houdgreep hebben, de onzinnigheid van de wereldpolitiek aantonen. Dat zij met Chaplin vergeleken is hoeft niet te verbazen, maar accuraat is de vergelijking niet. De "Pavlova van de parodie' komt dichter in haar buurt, omdat daarin naar de dans wordt verwezen. Maar de fascinatie die Cilli Wang heeft met metamorfosen, met dingen die, door een idee betoverd, veranderd worden, lijkt toch de kern van haar werk.

De hoogtepunten van haar carrière lagen in Amerika en Engeland zegt ze, ook al was ze erg tevreden over haar succes bij minder ontwikkeld publiek. “Vrouwen op Bali die naar mijn parodie op een Tiroler dans stonden te kijken, hebben verschrikkelijk moeten lachen, hoewel je zou denken dat dit nummer alleen maar grappig is voor iemand die Tiroler dansen kent.” Het Engelse publiek beschouwt ze als het kundigste en beste ter wereld. In de ogen van Cilli Wang is Engeland ook het enige land waar nog theater gemaakt wordt. Zelfs in kleinere plaatsen vindt ze het niveau hoog.

Dilettantisme

De bekende Oostenrijkse actrice Elfriede Ott heeft haar wel eens gevraagd in Wenen iets te doen met toneelstudenten. Maar ze is gaan kijken en er gauw van teruggekomen. Het materiaal is te slecht, vindt ze. Het theater van onze tijd, ook het Oostenrijkse, wordt volgens haar gekenmerkt door dilettantisme. In geen jaren heeft ze iets in Wenen gezien dat haar goed is bevallen. De directeur en regisseur van het Burgtheater, Claus Peymann, is niet haar vriend. “Misschien niet onbegaafd, maar zijn stijl past niet bij Wenen.”

Ook Thomas Bernhard, talentvol als hij was, was niet bepaald een toneelschrijver die men kon liefhebben, zegt ze. Hetzelfde geldt voor Peter Handke, die in zijn eerste stuk het publiek al uitschold. Sindsdien is zijn werk alleen nog maar slechter geworden. “Als je dat met Engeland vergelijkt, waar ook in het kleinste theater nog echt toneel gespeeld wordt, zie je dat de mensen daar een heel andere verhouding met het theater hebben dan hier.”

Ik vraag haar tenslotte waarom ze naar Wenen is teruggekeerd en of ze hier gelukkig is. Lijdt ze niet onder het feit dat het nazi-verleden in Oostenrijk onder de mat is geveegd en er nauwelijks een eerlijke confrontatie met de schuld van heel wat Oostenrijkse burgers heeft plaatsgevonden? En merkt ze niets van antisemitische uitingen, waarover leden van de joodse gemeenschap in Wenen (zo'n 12.000 mensen) soms klagen?

“Ik ben heel gelukkig hier. Maar ik heb de overgang, de Anschluss in 1938, niet meegemaakt. Dat is heel belangrijk. Mijn familieleden kunnen het hier niet meer uithouden. Ze zien wel wat er mooi is in Wenen, maar ze hebben een aversie tegen de bevolking ontwikkeld. Begrijpelijk, als je hebt beleefd hoe zogenaamd oude vrienden zich in 1938 van de ene dag op de andere van je afwendden. Bovendien: ik ben hier geen lid van de joodse gemeenschap. Ik ben niet zo'n type dat ergens bij wil horen. En in mijn vriendenkring is natuurlijk helemaal geen sprake van antisemitisme. De mensen die eventueel antisemieten zijn interesseren me niet. Die kun je toch niet au sérieux nemen.”

Cilli Wang lijkt tevreden in haar ruime flat met terras op het dak. Ze is er heel actief. In haar atelier, waar verschillende kostuums en poppen uit haar theatercarrière te zien zijn, werkt ze aan wat haar nog erg interesseert: het maken van karikaturale poppen van bekende personen. In het Oostenrijkse theatermuseum in het schitterende Paleis Lobkowitz is een aantal te koop. Van kunstenaars als Hermann Nitsch en Friedensreich Hundertwasser, van de toneelspeler Cort Voss, de dirigent Claudio Abbado, van Wenens burgemeester Helmut Zink.

Het zijn geen kwaadaardige karikaturen. Eerder licht spottende gedaanteveranderingen, die iets onthullen over de menselijke kern van al die in beroemdheid verpakte figuren. De gedaanteverwisselingskunstenares Cilli Wang heeft zich niet van haar apropos laten brengen.