In de woestijn (14)

Ali ben Ali ben Ali Tagelmust klauterde over de rotsen naar de hoogvlakte.

Maar toen hij de hoogvlakte bijna bereikt had, stopte hij. “Waarom gaat je vader niet op de hoogvlakte kijken? Daar zwerven misschien karavanen rond die ons aan een beetje water kunnen helpen”, zei Gied Meeuwenoog tegen Ibrahim Tagelmust. De zoon van meneer Tagelmust keek geschrokken. “Volle Maan, weet u dan niet dat de hoogvlakte door geesten wordt bewoond”, fluisterde hij. “Dat kan mij niet schelen. Ik wil water, ik sterf van de dorst”, zei Gied Meeuwenoog. Ibrahim pakte een zak en opende deze met een plechtig gebaar. “Dit zijn de laatste vruchten die ik u kan overhandigen. Het zijn appeltjes voor de dorst”, zei hij terwijl hij iedereen een sterappel gaf. We namen kleine hapjes uit de appel waarop we heel lang kauwden. Daarna aten we het klokhuis, de pitjes en het appelsteeltje op. “Jammer dat er geen worm in mijn appel zat. Zo'n worm zit natuurlijk vol met appelsap', zei mijn vriend Jan.

“Als leider van de Grote Sahara Expeditie verbied ik het eten van wormen. En ik wil ook geen woord meer horen over geesten die op een hoogvlakte wonen. Bah, wat een onzin allemaal”, zei Gied Meeuwenoog nijdig. “Vroeger heb ik eens een Afrikaans land bezocht dat geteisterd werd door droogte. De dorpsoudsten besloten om een regendans te laten uitvoeren. En wat denk je? Het begon meteen te regenen! Wat een vreemd toeval, hè”, zei Jan. “Zullen wij voor de grap ook een regendans uitvoeren? Baat het niet dan schaadt het niet”, zei Gied Meeuwenoog.

“De dorpsoudsten hebben mij verteld dat degene die de ramp heeft veroorzaakt zelf de regendans moet uitvoeren om de geesten weer gunstig te stemmen. Omdat jouw met waspoeder gevulde rugzak op de bodem van het woestijnmeer ligt, hebben we geen drinkwater meer. Dus jij zou nu aan de desbetreffende geesten om regenwater moeten vragen”, zei Jan tegen Gied Meeuwenoog. “Ik ben ook altijd de sigaar”, zei Gied Meeuwenoog terwijl hij zuchtend in de richting van de rotsen liep. Bij de rotswand gekomen, bleef hij staan om naar de azuurblauwe, wolkeloze lucht te kijken. Daarna hief hij zijn armen op en begon hij te huppelen. Het was een gek gezicht om dat kleine dikke mannetje met zijn dansende paardestaartje midden in de woestijn huppelpasjes te zien maken. De regendans van Gied Meeuwenoog maakte ons allemaal aan het lachen. Alleen Ibrahim lachte niet. Hij hield zijn ogen stijf dicht. Meneer Tagelmust was intussen afgedaald. “Volle Maan, stop onmiddellijk met uw dans”, riep hij al van verre. “Waarom? Ik doe er toch niemand kwaad mee”, zei Gied Meeuwenoog. “U doet er het goede mee voor de verkeerde geest. Dat is juist zo erg”, zei meneer Tagelmust. “U maakt de bewegingen van de eredans voor Spook Slof die hier op de hoogvlakte woont. Spook Slof laat alles sloffen. Als Spook Slof het wil, wordt alles tot in lengte van dagen uitgesteld. Dat betekent in ons geval dat wij eeuwig op ons drinkwater zullen moeten wachten.”

(wordt vervolgd)