Hoe joods is de relativiteitstheorie; Tien opstellen van Johan Polak

Johan Polak: Het oude heden. Uitg. Balans. 180 blz. Prijs ƒ 39,50.

De vorige week overleden Johan Polak was van mening dat de oudheid en het heden niet wezenlijk van elkaar verschillen. Dezelfde verlangens, dezelfde drijfveren hebben de mensen van vroeger en de mensen van nu in beweging gezet.

Ik ontleen deze kennis aan de binnenflap van Polaks laatste boek Het oude heden, dat vorige week, zeer kort voor zijn plotselinge overlijden, verscheen. In die flaptekst is ook te lezen waarom er desondanks reden kan zijn voor cultuurpessimisme. Het goede dat in de westerse cultuur aanwezig is, zo lezen we, wordt bij tijden onderdrukt. Historisch besef kan dan dienen als verweer tegen vervlakking en intellectuele neergang. Dit besef, zo vermeldt de flap ook nog, doet dienst als graadmeter voor een beschaving.

Het is jammer dat ik voor deze conclusies ben aangewezen op de flaptekst van Het oude heden. Ik had liever gezien dat Johan Polak zich in zijn boek in deze, of in andere, zin had uitgelaten. Maar dat doet hij niet. In de door hem geschreven tekst onthoudt hij zich juist heel nadrukkelijk van meningen over het heden en het verleden. Een enkele keer laat hij voorzichtig zijn twijfel aan een interpretatie blijken, of hij toont zijn vrolijkheid over iets, maar dan is het ook meteen weer over. Polak vervult over het algemeen slechts de rol van archivaris. Hij verzamelt wat op zijn weg komt, maar hij hoedt zich voor vergaande uitspraken.

Ik zou niet weten wat de achtergrond van deze opvallende terughoudendheid is - en om het hem te vragen is het nu helaas te laat. Vond hij dat de feiten die hij presenteerde voor zichzelf spraken? Kon hij er geen duidelijke conclusies aan verbinden? Is hij eenvoudigweg niet op het idee gekomen om meer te zeggen dan hij deed? Of was hij inderdaad, wat de laatste dagen zo veelvuldig geschreven is, te bescheiden om aan de feiten nog iets van zichzelf toe te voegen?

Orpheus

In de tien opstellen die het boek telt, gaat Polak in op enkele thema's en personages uit de klassieke oudheid. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij de vele versies die er in de loop der jaren van de Orpheus-mythe hebben bestaan. Daarna behandelt hij enkele grote dichters en staatslieden uit het verre verleden: Plato, Catullus, Seneca, Herodotus en, in een van zijn spannendste stukken, Hannibal. Ten slotte gaat hij in op de klassieke scholing van Elias Canetti en de joodse invloed in het fin de siècle.

Met enige goede wil zou je uit deze stukken kunnen afleiden dat er in de cultuur soms inderdaad van continuïteit sprake is. Symbolen kunnen eeuwenlang blijven bestaan. Klassieke thema's komen terug bij latere schrijvers en dichters. Maar tegelijkertijd worden de grote verschillen duidelijk. Zo blijkt de mythologische Orpheus-figuur over een langere periode niet veel meer dan een idee waarmee zeer uiteenlopende zangers en musici verbonden kunnen worden.

Opmerkelijk is ook dat Polak sommige onderwerpen juist heel nadrukkelijk in hun eigen tijd laat zien. Zo heeft hij het in het laatste hoofdstuk, over de joden in het fin de siècle, vooral over het feit dat er zoveel invloedrijke joden in Oostenrijk en Duitsland zijn geweest, maar nauwelijks over hun cultuur. Einstein, schrijft Polak bijvoorbeeld, kwam met de relativiteitstheorie, en omdat Einstein jood is, was dit dus een joodse bijdrage aan de wetenschap. Maar waar zit hem dat joodse dan in? Polak zegt het niet. Zag hij dat joodse niet, wat me heel goed mogelijk lijkt? Vond hij het te vanzelfsprekend om op te schrijven? Vergat hij het? Of durfde hij het niet aan?

Hoe meer ik er over nadenk, des te meer vermoed ik dat Johan Polak het niet met de flaptekst van zijn boek eens kan zijn geweest. Uit de opstellen die nu bijeen zijn gebracht, opstellen waaraan hij bijna dertig jaar heeft gewerkt, kun je alleen maar concluderen dat de moderne mens zich sterk van de klassieke mens onderscheidt.

Dat zou dan meteen verklaren waarom Polak zich altijd zo terughoudend heeft opgesteld ten opzichte van de klassieken. Door zijn opleiding als classicus leefde hij dan wel in de oudheid, de namen en citaten van klassieke schrijvers moeten elke dag door zijn hoofd hebben gespookt. Maar hij had er geen intensief contact mee, zoals hij met tijdgenoten wel had. Polak had tegenover de klassieken in de eerste plaats de houding van de bewonderaar. Het was eenrichtingsverkeer, contact via een "one-way screen'. Er ontstond geen dialoog.