Het alfabet als amulet; De lawaaige, levendige, woordenrijke cultuur van de Russische joden

Het gaf Ethel Portnoy een vreemd gevoel in de vitrines van het Joods Historisch Museum dingen te zien liggen die ze nog van lang geleden kende, een draaitol, een kiddoesjbeker, een pruik. De voorwerpen werden tussen 1911 en 1915 verzameld door de dichter An-ski in het verplichte vestigingsgebied voor Russische joden. “Het waren mensen zonder identiteitsproblemen - ze wisten precies wie ze waren, en dat werd ze ook nog eens voortdurend ingepeperd.”

Tentoonstelling: In de voetsporen van An-ski. Joods leven in Rusland 772-1917. Joods Historisch Museum, Jonas Daniël Meijerplein 2-4. T/m 29 november. Dag. 11-17u.

Bij het Massachusetts Institute of Technology zijn ze bezig een computer te programmeren om de menselijke intelligentie na te bootsen. Je zou kunnen zeggen dat ze een golem, een kunstmatige mens, aan het maken zijn. Maar nu krijgen ze met dezelfde problemen te maken waar ook de makers van de echte golem voor kwamen te staan. Want ze moeten de computer uitentreuren de meest vanzelfsprekende dingen vertellen, zoals: “Toen Abraham Lincoln in Washington was, was zijn linkervoet ook in Washington”.

Voor wie de Kabbala bestudeerde gold het bouwen van een eigen golem als een soort eindexamen. Ze werden gebruikt als hulp in de huishouding, ongeveer zoals we nu stofzuigers gebruiken. Ze waren werkwillig, maar oerdom. Toen een rabbi zijn privé-golem eens vroeg zijn kar te smeren, deed hij zoals hem was opgedragen: hij smeerde de hele kar met vet in.

Dit soort anekdotes werd verteld in het ”Vestigingsgebied voor Joden', het westelijk deel van Wit-Rusland en de Oekraïne en het Russische deel van Polen, waar van 1835 tot 1917 zo'n vijf miljoen Russische en Poolse joden moesten wonen. Daar werden tussen 1911 en 1915 deze verhalen verzameld, samen met spreekwoorden, bevolkingsregisters, foto's, muziek, klederdrachten, speelgoed en religieuze voorwerpen, door een onverschrokken gezelschap etnografen onder leiding van de dichter Sjlomo Rapoport, die schreef onder het pseudoniem An-ski. Het werk van deze pioniers van de Europese antropologie - dat woord gebruik ik liever dan het dilettanterige ”folklore' - eindigde toen de drie Oekraïense provincies in het Vestigingsgebied tijdens de eerste wereldoorlog tot slagvelden werden (mijn moeder, die er woonde, kon over die tijd ijzingwekkende verhalen vertellen).

Driehonderd selecte artikelen uit deze duizend voorwerpen grote collectie zijn door het vroegere Etnografisch Staatsmuseum van de Sovjet-Unie uitgeleend aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam, waar ze tot eind november te zien zijn. Helaas is een ander deel van de verzameling terechtgekomen in andere Russische musea, waarvan sommige tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn verwoest of geplunderd. Maar wie weet duiken ze nog een keer ergens op, net als dit materiaal, dat tientallen jaren heeft liggen sluimeren in het Etnografisch Staatsmuseum tot de perestrojka de ”herontdekking' mogelijk maakte.

Klooster

Beperkt als ze waren in hun seculiere mogelijkheden, beleefden de joden in het Vestigingsgebied hun godsdienst zeer intensief. Het waren mensen zonder identiteitsproblemen - ze wisten precies wie ze waren, en dat werd ze ook nog eens voortdurend ingepeperd. God was in alles hun uiteindelijke referent, en hun dagelijkse leven moet met zijn bijzondere regels en bijzondere kleding hebben geleken op het leven in een klooster zonder muren. De joden onderscheidden zich niet alleen door godsdienst en gewoonten als een aparte groep, maar ook door hun kleding, net als de Mennonieten of de Amish dat nog doen in de Verenigde Staten. De klederdracht werd een poosje door de tsaar verboden (hij hoopte dat de joden, als hij ze dwong eruit te zien als gewone mensen, ook gewone mensen zouden worden).

De kleding van de mannen was, zoals bij de meeste Europese klederdachten, gebaseerd op de kledij van de adel uit de zeventiende en achttiende eeuw - in dit geval de Poolse adel. Tot de vrouwenkleding behoorde een karakteristiek stijf front, zoals we dat ook zien bij sommige Nederlandse klederdrachten (die van Amersfoort, meen ik), en het schort had een religieuze betekenis - vrouwen droegen hun schort altijd over de rok, en bij ceremoniële gelegenheden was het van kant of schitterend borduurwerk. Toen het schort in de ban werd gedaan door de kleding-oekazes van de tsaar, gingen vrouwen het onder hun kleding dragen. In het algemeen droegen zowel mannen als vrouwen liefst tweedelige kostuums, waarbij de bovenkant de geest symboliseerde en de onderkant het driftleven. Een schort bedekt de vrouw van voren onder het middel; commentaar overbodig, dunkt me.

Vrouwen hielden hun eigen haar te allen tijde bedekt met een pruik (ook mijn grootmoeder droeg er een). Voordat de pruik (”paruk') van echt haar of kunsthaar werd gemaakt, waren er stoffen imitaties van golvende kapsels, en bij één tentoongesteld exemplaar worden kleine krulletjes gesuggereerd door een stukje bruin karakoel-lam. Mannen droegen het keppeltje of de streimel, een grote bonthoed, en jongens droegen onder hun blouse een soort onderhemd met ”tsitses” (officieel ”kwastjes' maar in vulgaire taal ”tietjes'). Al deze dingen zijn tentoongesteld, samen met een prachtig stel lijkkleren van ongebleekte katoen.

Met de val van het tsarenrijk kwam er een eind aan de verplichting om in het Vestigingsgebied te wonen. De nieuwe heersers van Rusland keurden godsdienst af en stimuleerden assimilatie. Hoewel de ouderen volhardden in hun zeden en gewoonten, gingen de jongeren en de intelligentsia moderne kleding dragen. Om het geloof verder tegen te gaan, verbouwden de Sovjets synagoges tot bioscopen en moedigden ze de joden aan varkens te gaan fokken, waarbij ze veelvuldig foto's afdrukten van joden met zo'n dier in de armen. (Als de Sovjets dachten hiermee iets te demonstreren, hielden ze zichzelf voor de gek. Een jood kan net zoveel van varkens houden als van ieder ander schepsel Gods, hij eet ze alleen niet. Overigens, toen ik eens een heel groot varken aaide nam het een fikse hap uit mijn onderarm. Waarmee maar weer is aangetoond dat hoewel joden geen varkens eten, varkens er geen been in zien om joden te eten).

Schriftcultuur

Zodra ze hun kans schoon zagen, dus vanaf de eerste dagen van het communistische bewind, begonnen de joden deel te nemen aan het maatschappelijk leven. De overgang viel hen niet zwaar, want ze hadden een schriftcultuur. Kinderen, vooral jongens, leerden al vroeg lezen en schrijven, en er werd ze geleerd te studeren en geleerdheid te vereren. Sterker nog: de vroeger in afzondering levende joden konden zich juist zo gemakkelijk aan de moderne maatschappij aanpassen door de aard van hun geloof, dat ondanks zijn bekrompen tradities vrijheid van denken stimuleert. Er wordt wel gezegd dat er evenveel vormen van jodendom bestaan als er joden zijn; dat komt doordat de bijbelse voorschriften eeuwenlang zijn geïnterpreteerd, beargumenteerd en besproken, en iedereen vrij is zijn mening te geven.

Het gaf een vreemd gevoel dingen in vitrines in een museum te zien liggen die ik nog van lang geleden kende. Er lag een ”dreidl' (draaitol) die ik liet tollen met Chanoeka, met een Hebreeuwse letter op elk van zijn vier wiekjes; er was net zo'n grager als waarmee ik liep te ratelen tijdens Poerim; er waren kiddoesj-bekers zoals mijn moeder er een van haar vader had gekregen toen ze naar Amerika emigreerde. Vaak heb ik op bruiloften de extatische muziek van een klezmer-orkestje gehoord; hier zag ik de instrumenten, en een prachtige foto van een stel muzikanten - maar hoewel veel moeite is gedaan om de sfeer van deze lawaaiige, levendige, woordenrijke cultuur over te brengen, is het in een museum nu eenmaal erg kalm en stil. Juist die stilte herinnert weer aan alles wat teloor is gegaan - zij het niet geheel en al, want de oude cultuur wordt nog altijd in stand gehouden door de Chassidim van nu, die ook nog altijd de taal ervan spreken: het Jiddisch.

Magie

Wat me op deze tentoonstelling het meest interesseerde, waren de voorwerpen die werden gebruikt voor magische praktijken. De bijbel verbiedt toverij met kwade bedoelingen, maar er is ook nog zo iets als bescherming tegen onheil, en die konden de arme joden in het Vestigingsgebied, zoals alle arme mensen die de speelbal van de omstandigheden zijn, uitstekend gebruiken. An-ski en zijn medewerkers verzamelden ijverig amuletten en talismans. Vaak konden ze er maar op één manier aan komen: door zich voor te doen als ziek of nooddruftig. Alle getoonde amuletten op één na, een veter met zilveren munten en leren zakjes eringeknoopt, zijn geschreven teksten, soms voorzien van tekeningen. Bevoegd om deze amuletten te vervaardigen waren zij die de namen van God en die van engelen en duivels kenden. Ook hieruit blijkt weer de intense betrokkenheid van de joden bij het schrift en zelfs bij het alfabet - net als in de kabbala, die zich hoofdzakelijk bezighoudt met de kracht van namen, klanken en zelfs afzonderlijke lettertekens.

Want ook die kunnen kracht bezitten, hetgeen wordt geïllustreerd door het volgende verhaal. Rabbi Schneur Zalman uit Litouwen wilde rabbi Baruch in de Oekraïne waarschuwen dat de tsaar werkte aan een edict waarbij joodse jongens tot dienst in het Russische leger zouden worden gedwongen. De arrogante rabbi Baruch, kleinzoon van de Chassidische heilige bekend onder de naam Baäl Sjem Tov, wilde hem niet geloven, en tussen beide mannen laaide een ruzie op. “Jij brutale Litvak, weet jij wel tegen wie je het hebt? Ik ben de kleinzoon van de Baäl Sjem Tov en ik bid met zijn gebedsriemen!” Toen hij dit hoorde, vloog Zalman op en riep: “En wat dan nog? Kunnen ze daarom geen mankementen hebben?” Rabbi Baruch begon zich zorgen te maken; hij had geen voorgevoelens van dreigend onheil gehad; zou dat betekenen dat er iets aan de gebedsriemen mankeerde?” Hij liet ze openmaken, en het bleek dat aan de tekst die erin zat een letter ontbrak, de letter joed (een klein lettertje dat op een apostrof lijkt). “Die Litvak heeft een joed uit mijn gebedsriemen gestolen!” schreeuwde rabbi Baruch. “Ik zal zijn kinderen hun joed afpakken!” (Het woord voor kinderen in het hebreeuws is ”jeladim'.) En jawel: een van rabbi Zalmans kinderen dwaalde later af van het pad der gerechtigheid.

De joden van het Vestigingsgebied, opgesloten in hun wereld van ellende, meenden dat ze werden omringd door een onzichtbare buitenwereld die voor hen volstrekt reëel was. Voor een antropoloog is de kosmologie van die wereld, die niets met de bijbel van doen heeft, de moeite van het bestuderen waard. Maar om die studie mogelijk te maken zou eerst meer materiaal dat nog sluimert in Russische musea of in andere schuilplaatsen te voorschijn moeten komen. Wat een heerlijk vooruitzicht zou dat zijn!

Overigens zijn er ook andere joden in het Russische rijk geweest die tot de verbeelding spreken: de Georgische joden, de Boechaarse joden in Azerbajdzjan, Oezbekistan en Tsjetsjeno-Ingoesjetië. En die in de Kaukasus: ik sluit mijn ogen en stel me ze voor, vederlicht springend van rots naar rots - de bergjoden! Jammer dat ik niet nog een leven heb dat ik kan wijden aan de bestudering van hun fascinerende leefwijzen.