Haarlems Toneel bedwingt St Bavo-kerk met T.S. Eliot

Voorstelling: Moord in de kathedraal van T.S. Eliot door het Haarlems Toneel. Vertaling: Peter Nijmeijer; regie: Joanna Bilska; componist: Stanislaw Radwan; dirigent: André Kaart; spel: Willem Nijholt, Arthur Boni, Hidde Maas, e.a. Gezien: 4/6 Sint-Bavokerk Haarlem. Aldaar t/m 19/6.

Moord in de kathedraal, het uit 1935 daterende historische treurspel in verzen van T.S. Eliot, wordt hier niet vaak gespeeld - maar als het er dan toch eens van komt, waarom dan niet meteen goed? Zo ongeveer moet Joanna Bilska geredeneerd hebben toen ze besloot het eerste theaterseizoen van het Haarlems Toneel af te sluiten met een enscenering van Eliots stuk in de majestueuze Sint-Bavo kerk in Haarlem.

Ze heeft gelijk. Nergens zal de strijd tussen de kerkelijke en wereldlijke macht die in het drama naar voren komt zo op zijn plaats zijn als in een religieuze omgeving.

Het stuk, geschreven in opdracht van het Canterbury Festival, speelt zich af in de kathedraal van Canterbury. Het is december 1170. Na een ballingschap van zeven jaar in Frankrijk keert aartsbisschop Thomas Becket terug naar Engeland. Hoewel Becket list en bedrog vermoedt (“de beluste havik” zal “steeds lager cirkelen/ En wachten op een excuus, aanleiding, gelegenheid”) laat hij zich door koning Henry II overhalen. Daarna is de op hem beraamde moord nog slechts een kwestie van tijd en staat zijn martelaarschap vast.

In de voorstelling door het Haarlems Toneel toont Willem Nijholt Thomas Becket als een man van principes - iemand die zich niet door konkelaars in verleiding laat brengen om van het martelaarschap af te zien. Met fonkelende ogen wijst hij zijn belagers terecht, uit zijn houding spreekt de superioriteit die is voorbehouden aan werkelijke zieleadel. Nijholt is in zijn prachtige bisschopstenue een geestelijke in wie je onmiddellijk gelooft: hij kijkt als een bisschop, hij loopt als een bisschop en hij heeft een stem als van een bisschop. De kerstpreek die hij houdt vanaf de kansel zal geen priester hem kunnen verbeteren. Na deze indrukwekkende monoloog volgt een al even indrukwekkende scène met een door Nijholt gezongen psalm en koorzang.

De gezangen in de voorstelling zijn voor de inhoud van het stuk net zo belangrijk als de gesproken tekst. Ook in kwantitatief opzicht nemen ze een niet te verwaarlozen plaats in. De Poolse componist Stanislaw Radwan componeerde voor deze gelegenheid een mystiek soort muziek die, onder begeleiding van het grote orgel, door twee amateurkoren van in totaal zestig mensen wordt gezongen. Onder de hoge gewelven vervloeien hun stemmen en gaan de zinnen over in onverstaanbare klanken, maar mooi is het zeker.

Een produktie met zoveel mensen en in zo'n overweldigende ruimte is een waagstuk. Een kerk is te groot voor toneel. Daarom heeft Joanna Bilska in het middenschip een kruisvormig plankier laten aanbrengen waar het publiek omheen zit. Het probleem van de galm heeft ze goeddeels opgelost door de acteurs van zendmicrofoontjes te voorzien. Nu dergelijke hindernissen zijn weggenomen bewijst ze dat de kerk inderdaad het ideale decor is voor opvoering van Moord in de kathedraal.