Een zegen voor de biograaf; Evelyn Waugh, een van de onhebbelijkste mensen van deze eeuw

Martin Stannard: Evelyn Waugh, No Abiding City, 1939-1966. Uitg. J.M. Dent & Sons, 523 blz. Prijs ƒ 94,75.

Sommige auteurs zijn beter bekend dan hun werk, en Evelyn Waugh is er zo een, zelfs sinds de tv-verfilming van Brideshead Revisited. Hij leeft in de Engelse herinnering voort als een van de onhebbelijkste mensen van deze eeuw: humeurig, egoïstisch, snobistisch, depressief en drankzuchtig. In zijn voordeel moet gezegd worden dat hij aanstekelijke satirische romans schreef in zijn jonge jaren en doordachte avondvullende toen hij ouder werd. Zijn meesterschap over de Engelse taal was onbetwist, zowel in zijn werk als in bitse formules voor alledaags gebruik; maar zijn ideeën inzake de mensen en de tijden hebben als ze niet door zijn boeken in bedwang gehouden werden zelden iets voor iemand betekend.

Het lijkt verbazend dat het lezen over hem opwekkend werkt. Dat komt niet alleen doordat hij alle conventies doorbrak, behalve een aantal verouderde waar niemand anders zich iets aan gelegen liet liggen. Het komt ook doordat hij, terwijl hij leefde als een heer die niet geacht kon worden zich genoegens te ontzeggen, vervuld was van gedachten aan de tijdelijkheid en toevalligheid van zijn bestaan. In dat opzicht was hij een vrij mens, gesteund door het katholicisme waartoe hij zich in 1930 bekeerd had.

Binnen zijn persoonlijkheid was de vrijheid in vele richtingen beperkt: door de nooit overwonnen ontsteltenis over het weglopen van zijn eerste vrouw, door de irritatie die hij dagelijks ondervond over de dingen die naasten en vreemden verkeerd deden en zeiden, door twijfel of zijn werk eigenlijk wel goed genoeg was, door dronkenschap en door katers. Hoe ongemakkelijk de stemming om hem heen in huis was kan de lezer van Stannards biografie zich voorstellen aan de hand van een paar verhalen van bezoekers die tot hun verrassing hartelijk ingehaald werden, de jonge Amerikaan Paul Moor in 1949 en de Engelse journalist Kenneth Allsop in 1960.

Moor, die een paar dagen mocht blijven, waagde het toen hij alleen in de zitkamer zat iets op de piano te spelen. Na het slotakkoord zag hij dat Waugh zwijgend uit het raam stond te kijken met onprettig opengesperde ogen; pas 's avonds aan tafel kwam de toelichting: “I don't like music. I despise it.”

Allsop werd na een geanimeerd interview van een hele middag voor de Daily Mail uitgenodigd om die avond te komen eten. Toen zij om half acht aan de sherry gingen bleek de stemming verstoord; Waugh was uit zijn humeur en zwijgzaam. Aan tafel met Laura Waugh en een van de zoontjes ging het een tijdje lang beter, maar bij de cognac haperde het gesprek weer en werd het ten slotte stil toen de gastheer in slaap viel, met zijn kin op zijn borst. Allsop probeerde vergeefs hem met zachte hand te wekken en verliet op zijn tenen de kamer en het huis.

Onwellevend

Waugh vond dat de beschaving zich verruwde in de moderne egalitaire maatschappij, maar hij was niet bij machte om in zijn eigen gedrag te laten zien wat hij van zijn tijdgenoten verlangde. Er is een veelheid van anekdotes beschikbaar waarin hij onwellevend optreedt - een zegen voor de biograaf, die ons telkens opnieuw kan verrassen. Stannard heeft er met mate gebruik van gemaakt. De lezer die de literatuur over Waugh kent, komt sommige verhalen niet nog eens tegen, of in verkorte vorm, en toch blijft de levensgeschiedenis steeds in beweging, wat zelden het geval is bij schrijvers die hun gasten vriendelijker ontvingen.

De bewegelijkheid wordt bevorderd doordat er ook verhalen zijn waar Waugh voordelig in uitkomt. Hij heeft nogal eens vrienden en kennissen geholpen met geld; hij kon genereus zijn in zijn waardering als hij iemands werk goed vond, zoals dat van Muriel Spark toen zij debuteerde; hij stond zijn oude vriend de priester Ronald Knox bij toen die stervende was en nam belangeloos de taken van executeur en biograaf op zich.

Wie een samenvattend oordeel over Waugh wil uitspreken krijgt het niet zo makkelijk als het op het eerste gezicht lijkt. Een bijkomende moeilijkheid is dat hij zelf ook wel merkte waar het hem aan ontbrak. Bij buien, en vaker naarmate hij ouder werd, was hij doordrongen van zijn christenplicht om begrip en liefde te tonen voor zijn medemensen. Het lukte meestal niet, en hij voelde zich schuldig en zondig. Ik weet niet of er gegevens zijn over de frequentie van zijn bezoeken aan de biechtstoel, maar hij moet er een hoop te vertellen hebben gehad, tot opluchting van zichzelf en ook van de biechtvader, die zelden zulke raak geformuleerde bekentenissen hoorde.

Een van de zondige verleidingen waar Waugh voor zwichtte was die van het zwartwerken. Toen zijn boeken van Brideshead Revisited af goed verkochten in Amerika, en er mooie aanbiedingen kwamen uit Hollywood, deden zich ruime kansen voor om inkomsten onbelast te laten. Hij nam ze waar, want hoe weinig betekenis hij ook hechtte aan goederen en geneugten, hij gaf graag geld uit. Om nog meer belasting uit te sparen en tegelijkertijd wat geld voor de kinderen te reserveren liet hij zich in 1950 overhalen tot de oprichting van een stichting die de huisnaam Save the Children Fund kreeg. Daar konden veel van zijn Engelse inkomsten vrij worden ondergebracht, op voorwaarde dat hij er niets van opnam totdat de jongste van de kinderen volwassen was, op zijn vroegst in 1971. En wat bleek: de stichting mocht wel geld beleggen in aankopen die Waugh wilde doen en in zijn huis kon houden al waren ze niet van hemzelf. Van die gelegenheid heeft hij jarenlang gebruik gemaakt, totdat de belastingdienst in 1966 bepaalde dat de stortingen in het Fund toch belast moesten worden. Enkele maanden later was hij dood.

Brieven

Martin Stannard, van de Universiteit van Leicester, heeft veel onbekende brieven voor zijn boek benut, en hij heeft het geschreven met een evenwichtige aanvaarding van deugden en ondeugden die goed bij het onderwerp past - om het contrast, niet om de overeenstemming. Wat mij verwonderde is dat wij niet meer zien van Waugh in Londen, een stad waar hij afkeer van uitsprak maar waar hij een veel geziene figuur bleef, in White's Club en voor de gewone man in de openbaarheid van de kranten. Ook vond ik het tweede deel niet bevredigend in de behandeling van Waughs vriendschappen in hun wisselvalligheid: met Graham Greene, Cyril Connolly, Diana Cooper, Nancy Mitford, Anne Fleming, John Betjeman, Christopher Sykes en anderen. Er staat verscheidene malen vermeld dat de relaties met hen afkoelen of dat hij van ze vervreemdde; later gaat het dan weer beter, of het gaat met sommigen beter; en opnieuw treedt er afkoeling in, en zo door. Er wordt weinig toelichting gegeven op die temperatuurwisselingen, terwijl dit soort variaties juist kenmerkend was voor Waughs levensstijl, in het klein zowel als in het groot. Als hij in Amerika was, waar hij voortdurend in de openbaarheid verkeerde, gaf hij met zorg tegengestelde indrukken van zichzelf bij verschillende gelegenheden.

In andere opzichten verdient Stannard niets dan lof en instemming: voor zijn documentatie, voor de toon waarin hij Waugh behandelt en voor de nauwkeurigheid en zelfbeperking waarmee hij de boeken bespreekt zonder hun inhoud na te vertellen. En traktatie voor de aandachtige lezer is meteen de inleiding waarin hij deel I samenvat, over Waughs leven van 1903 tot 1939: dat is een "korte inhoud van het voorafgaande' tot pronkstuk verheven.

De enkele lezer die niettemin genoeg krijgt van het onderwerp zal nog een tijdlang gaande gehouden worden door de anekdotes. Toen Waugh in 1947 uit het berooide en gerantsoeneerde Engeland komend op bezoek ging in het weelderige paleisje van de filmmagnaat Louis B. Mayer riep hij uit: "Wat verstandig zijn jullie Amerikanen om altijd eenvoudig te blijven leven! - wie zou er in het huis zelf willen wonen als hij zo'n charmante portierswoning ter beschikking heeft!' Het is een kunst om dat te kunnen zeggen zonder dat het ingestudeerd en onnozel klinkt; maar misschien is het niet waar gebeurd, dat is vaak het probleem met sterke anekdotes. Wel is het bijna zeker waar dat toen Waugh in 1959 een hoge onderscheiding (een C.B.F.) aangeboden kreeg terwijl hij naar een knighthood had uitgezien waarmee hij Sir Evelyn zou worden, hij de brief eerst verfrommelde, en hem vervolgens weer gladstreek om te bewaren als bewijsstuk voor de manier waarop Engeland zijn schrijvers bejegende.

Al was Waugh geen man om een voorbeeld aan te nemen, niemand kan ons beletten te begrijpen wat er in hem omging.