Directeuren KLOZ en VNZ hebben eenstemmig oordeel over plan-Simons; "Politiek staat ver af van realiteit gezondheidszorg'

ZEIST, 5 JUNI. Verontwaardigd zijn ze over de politiek die steeds verder afstaat van de realiteit in de gezondheidszorg. Van enig reëel vooroverleg over politieke voornemens die belangrijke consequenties hebben voor de gezondheidszorg is geen sprake. Directeur drs. O. Hehne van het overkoepelend orgaan van particuliere ziektekostenverzekeraars, KLOZ, en directeur N. de Jong van de ziekenfondskoepel VNZ zijn eenstemmig in hun oordeel. “We zijn intussen wel wat gewend maar ik word bloed-onrustig van de steeds veranderende voornemens”, zegt een getergde De Jong.

Een dag nadat bekend werd dat het kabinet, zij het in een iets rustiger tempo, wil doorgaan met de veranderingen in het stelsel van ziektekostenverzekeringen, zitten De Jong en Hehne op het hoofdkantoor van de VNZ in Zeist broederlijk naast elkaar. Sinds kort trekken beide organisaties gezamenlijk op tegen het tempo waarin en de manier waarop het kabinet een ziektekostenverzekering voor alle Nederlanders wil creëren.

In april besloten beide verzekeringskoepels het Bureau voor Economische Argumentatie in te schakelen om na te gaan op welke punten de ideeën van particuliere verzekeraars en ziekenfondsen overeenkomen wat het plan-Simons betreft.

De koepels vinden, met veel van hun leden, dat de onzekerheid over de verdere vormgeving van het plan-Simons een initiatief vanuit "het veld' noodzakelijk maakt. Gisteren lag het rapport "Plan-Simons: patstellingen en denkrichtingen' op tafel. De belangrijkste conclusie van het onderzoeksbureau: Het Plan-Simons is onvoldoende doordacht op zijn praktische uitwerking. Het rapport staat een actieve bezinning voor op de richting, aard en mate van verdere stelselwijziging.

Hehne en De Jong sluiten zich daar graag bij aan. Het kabinet moet duidelijkheid verschaffen over een aantal zaken en dan hoeft er voor hen geen pas op de plaats te worden gemaakt. Duidelijkheid over de verwachte effecten van marktwerking, zoals de inkoop van zorg door verzekeraars. Of de wijze waarop de premies over de verzekeraars worden verdeeld, het zogenoemde normuitkeringen-systeem.

“Maar voorzover we de concept-brief van het kabinet aan de Tweede Kamer kunnen beoordelen gaat het daar nou net weer niet over”, zegt Hehne. “Wat doet het kabinet? Dat maakt weer een lijstje met wat, wanneer naar de AWBZ wordt overgeheveld. Maar daar gaat het helemaal niet om. Overhevelen in '95, '96 of '97 lost niets op.”

Hehne en De Jong vrezen in de politieke arena een herhaling van de gebeurtenissen van vorig jaar. De Tweede Kamer keurde toen op de laatste vergaderdag voor het zomerreces maatregelen per 1 januari 1992 goed, de Eerste Kamer kwam laat in het najaar met een besluit, waarna pas in december duidelijk was wat er in 1992 zou gebeuren. Hehne: “Let maar eens op wat een energie dit allemaal weer gaat kosten. Kaland zit bij wijze van spreken al klaar.”

Met name de beslissing van het kabinet om van de verzekeraars te vragen dat ze polissen met een vrijwillig eigen risico aanbieden, desnoods gedwongen door wettelijke maatregelen, zit de heren dwars. De Jong: “De politiek roept dat het moet en de verzekeraars moeten het dan maar meteen uitvoeren. Maar zo simpel is het niet. Als ik dan Wöltgens hoor zeggen dat de verzekeraars een vrijwillig eigen risico moeten aanbieden, denk ik, die man roept maar wat.”

Maar waarom kan dat dan niet? De Jong: “Een van de problemen is dat de ziekenfondsen juridisch gezien nog geen eigen risico mogen aanbieden. Daar is een wetswijziging voor nodig.” De particuliere verzekeraars vinden dat er nog te weinig ervaring is met de heffing van nominale AWBZ-premies om nu al polissen met vrijwillige eigen risico's voor AWBZ-verstrekkingen (zoals medicijnen) aan te kunnen bieden.

De Jong: “De politiek maakt de fout te denken dat alles ook gebeurt als er in Den Haag eenmaal een beslissing is genomen. Het lijkt wel eens op een rijstijl van ogen dicht en gas geven. In de afgelopen periode is gebleken dat je het met grote plannen niet redt, toch gaat het kabinet er vrolijk mee door. Het is toch weer de ouwe plan-sfeer die uit de kabinetsvoornemens ademt. Ik was vanachter de kachel gekomen als het kabinet had gezegd dat er bijvoorbeeld naar samenwerking van verpleeghuizen, thuiszorg en bejaardenoorden zou worden gekeken, los van een groot plan. Hoe ga je om met de veranderende behoeften van ouderen, hoe kun je de substitutie in die sector handen en voeten geven. Voorlopig is daar geen sprake van, alles blijft centraal gereguleerd. Je kan niet aan de ene kant zeggen dat je marktwerking wil en tegelijkertijd de markt potdicht houden.”