De macht van het plaatje

Stille kracht is een beroemd boek van Louis Couperus. Het was al een bekend boek, het werd gekoesterd door de liefhebbers en de kenners van Couperus maar het is pas beroemd geworden doordat er een film van is gemaakt waarin Pleuni Touw in het bad zit en uit het niets door sirihspuugsel wordt getroffen.

(Is daar een woord voor? Als het van gewone pruimtabak komt, heet het een keessie.) Van de film is weer een boek gemaakt: de oorspronkelijke tekst met foto's. De geïllustreerde Stille kracht die daardoor is ontstaan, is een andere dan de gewone Stille kracht; een uitgave waardoor met medewerking van Pleuni Touw de literatuur tot de brede massa is gebracht.

Het voorbeeld is, voorzover ik weet, niet gevolgd. De Max Havelaar als film heeft niet tot een op die manier verluchte Havelaar geleid. Er zijn mensen die daar blij om zijn, want dergelijke illustraties beschouwen ze als heiligschennis. Anderen denken: 't is misschien een paardemiddel maar vooruit. Als het maar tot de verheffing van het volk leidt.

Valt er in het algemeen iets voor te zeggen dat romans weer van illustraties worden voorzien, zoals in de vorige eeuw gebruikelijk was? Ik had het erover met een meester-schilder die niet wil dat zijn naam wordt genoemd. "Er zijn uitzonderingen', zei hij. "Jules Verne zonder plaatjes zou de klassieke Jules Verne niet meer zijn. Maar voor de rest? Als ik een boek lees dat me bevalt, komt het erop neer dat de schrijver en ik een particuliere verhouding hebben. Als ik dan een bladzij omsla en daar staat opeens een plaatje, is het alsof ik met iemand aan de bar zit te praten en daar dringt zich opeens een vreemde kletsmeier tussen ons in.' Hij deed het voor. Het was duidelijk.

"Maar Gustave Doré dan?'

"Ja, Doré! Dat is iets heel anders! Die kon alles. Als die, bij wijze van spreken, tussen ons in aan de bar kwam staan zouden we er allebei iets van opsteken. Niet met zijn illustraties van de Bijbel, maar wel bijvoorbeeld met Baron von Münchhausen. Als Doré niet had laten zien hoe je je aan je haren met paard en al uit een moeras moet trekken, of hoe je een beer kunt laten ontploffen, of hoe je met een koppel eenden een luchtreis kunt maken, zouden we dat allemaal nog niet weten.'

"En Grandville?'

"Bij Grandville kun je de tekst wel weglaten!'

"Dat is waar,' zei ik nadenkend. "Door Grandville wordt de tekst niet gesteund maar verslagen.'

Met deze gedachtenwisseling zou het meeste van het wezenlijke over het illustreren van boeken voor grote mensen gezegd zijn, ware het niet dat de functie van het plaatje bij de tekst misschien in een nieuw stadium is gekomen. Onlangs heeft het Ministerie bekend gemaakt dat omstreeks 1955 nog zestig procent van de Nederlanders de vrije tijd aan lezen besteedde; nu is het twintig procent. De meesten van die tachtig procent zitten het grootste deel van de tijd naar de televisie te kijken. Van het tafereel dat dit oplevert - de miljoenen "met een pilsje voor de buis' - zou een begaafd illustrator een gruwelijk plaatje kunnen maken. Ik denk aan Paul Weber.

Maar dat is ons vraagstuk niet. Zou de illustratie terug in het grote-mensenboek de kijkers weer tot lezen kunnen brengen? Dat ten eerste, en ten tweede: zou de literatuur, hoewel misschien kwantitatief gered, daarvan kwalitatief schade ondervinden?

In de negentiende eeuw huurden sommige grote romanciers een letterknecht, un nègre, voor de landschapsbeschrijvingen. Het boek werd er dikker van en de schrijver beroemder, maar intussen had dat pagina's lange uitpakken over bos en heide gemakkelijk door één plaatje kunnen worden vervangen. Over landschappen lees je tegenwoordig niet veel meer, maar als ik J.J. Peereboom mag geloven, zijn er nauwelijks nog boeken te koop waarin niet over dezelfde lengte wordt gesekst. Nader onderzoek ontbreekt, maar zoveel is wel duidelijk dat menig romancier zijn eigen seksknecht is geworden.

In de jaren vijftig, toen zestig procent nog las, was er in de Verenigde Staten een romanschrijfster, Kathleen Windsor, wier zeer dikke boek Forever Amber niet van de bestsellerslijst was af te branden. Edmund Wilson schreef: De meeste romans die veel drukken beleven, danken dit aan de interessante voortgang van de intrige. Bij Windsor is het anders: die wordt rijk door de manier waarop ze haar intrige tot stilstand laat komen.

Windsor was een voorloopster. Ook haar boek had, met een paar trefzekere illustraties, veel dunner gekund. Zou dit de oplossing voor de leescrisis zijn: dunnere boeken die daardoor goedkoper worden, maar met de plaatjes waarop je kunt zien wat er gebeurt zodat je het sneller begrijpt dan wanneer je dat allemaal moet lezen? Was dat tenslotte ook niet het interessante van de geïllustreerde Couperus?