De esthetiek van het jammeren hoort bij Duitsland; Andreas Sinakowski over de Stasi, journalisten en Duitse schrijvers

De Duitse schrijver Andreas Sinakowski werkte voor de Stasi. Maar in 1985, kort na zijn vestiging in West-Berlijn waar hij voor de Stasi informatie zou verzamelen over ballingen en kunstenaars, gaf hij zijn ware identiteit prijs en biechtte hij alles op aan een Westberlijner. Zijn stap bleek moeilijker dan hij had gedacht, vertelde hij in Berlijn aan Reinjan Mulder. “Die nacht dacht ik dat ik moest sterven. Ik was ziek, uitgeput. Ik dacht: God, als ik nu niet doodga, schrijf ik alles op.”

Onlangs verscheen Na een lang rokend zwijgen, de Nederlandse vertaling van Sinakowski's autobiografische roman over zijn jeugd en Stasi-werk. “De motivatie die deze verklikker voor zijn daden geeft zit vol tegenstrijdigheden, maar gek genoeg maken die nu juist een heel geloofwaardige indruk”, vindt Anneriek de Jong.

“Laten we we bij Café Möhring op de Kurfürstendamm gaan zitten,” stelt Andreas Sinakowski voor, “daar komen ook de weduwen van vooraanstaande nazi-generaals, om hun hoge pensioenen op te maken.” De 31-jarige schijver staat op een ochtend volledig onverwacht voor mijn neus, in mijn hotel in de Berlijnse Meinekestrasse. Hij is in een uitgelaten stemming. Van acht tot negen is hij "als een echte westerling' bij zijn psychiater geweest en nu kan hij er weer even tegen. Hij is voorbereid op een lang en intensief gesprek over het Duitse trauma.

Ik had er al niet meer op gerekend. Een paar dagen eerder zat ik in een ander etablissement een uur lang vergeefs op hem te wachten. Onze afspraak was hem volledig door het hoofd geschoten, zegt hij nu. Hij had, toen ik hem de laatste keer in Amsterdam sprak, twee verschillende tijdstippen opgeschreven en hij wist niet meer welke van de twee de juiste was. Bovendien was hij de laatste dagen ziek geweest, doodziek. Hij was door hoge koortsen geveld.

Hoewel we dat niet van plan zijn, gaat het gesprek, nog voor we op de Kurfürstendamm zijn, over het tumultueus verlopen televisieoptreden van Sinakowski in het programma van Adriaan van Dis. Anderhalve maand geleden heb ik samen met de schrijver de uitzending bekeken in het huis van vertaler Gerrit Bussink en hij leek toen buitengewoon tevreden over het resultaat. Hij was goed uit de verf gekomen. Er was in De IJsbreker weliswaar flink ruzie gemaakt, maar de montage was geheel in zijn voordeel uitgevallen. Van Dis was geweldig.

Sindsdien hebben de harde woorden die over en weer vielen, hem echter toch opgebroken. Hij voelt zich eigenlijk op een schandalige manier gepakt. Als voorbeeld van de vooringenomenheid van Van Dis noemt Sinakowski de vraag, aan het begin van het gesprek, of hij zijn benen onder de tafel wilde houden. Hij kan er alleen maar een vlerkerige toespeling in zien op zijn homoseksualiteit. “Aan een ander zou Van Dis zoiets nooit hebben gevraagd. Hij heeft zijn onzekerheid over zijn eigen seksualiteit kennelijk op mij willen afreageren.”

Ook wat er na de uitzending is gebeurd, is hem niet bevallen. “Van Dis heeft me later in de VPRO-gids "een aardige jongen' genoemd. Zoiets heeft hij niet te zeggen over mij. Ik zeg toch ook niet dat hij zulke aardige pakken draagt.”

Ik begrijp nu dat Sinakowski tijdens onze eerdere afspraak niet alleen vergeetachtig was en hoge koorts had. Hij was vooral ziek van Van Dis. Het was hem allemaal te veel geworden. Een van de verwijten die de Nederlandse presentator hem maakte was dat hij onoprecht was geweest. Hij had, toen hij nog in de DDR woonde, vrienden en collega's aan de Oostduitse geheime dienst verraden. Sinakowski wijst er op dat hij al in 1985, op zijn 24ste jaar, uit zichzelf een eind heeft gemaakt aan zijn Stasi-activiteiten. Sindsdien is hij juist meer dan wie ook bezig geweest zijn gedrag te analyseren. Niemand hoeft hem nu nog te vertellen dat hij fout is geweest. Het verwerken van zijn schuld is de laatste jaren een van zijn belangrijkste thema's geweest.

Als we op het terras van Café Möhring zitten, vertelt hij hoe hij zeven jaar geleden hier, in deze buurt, terechtkwam. Zijn Stasi-officier had hem gevraagd naar het westen te gaan. Hij moest informatie verzamelen in de kringen van ballingen en kunstenaars. Van de DDR had hij een emigratiepaspoort meegekregen. Om geen argwaan te wekken was hij daarin als statenloos aangeduid.

Hij had twee tassen mee mogen nemen. Zijn bagage bevatte literaire manuscripten uit zijn DDR-jaren, correspondentie met enkele Duitse schrijvers en vijf boeken, onder meer een bloemlezing uit de Duitse literatuur, de gedichten van Gottfried Benn en, heel opmerkelijk, de essays van Menno ter Braak. Door zijn vriendschap met de Nederlandse schrijfster Miep Diekman had Sinakowski Nederlands geleerd. Hij maakte verschillende vertalingen in het Duits.

Sinakowski heeft geen moment serieus overwogen in het westen te gaan spioneren. Vrijwel onmiddellijk nadat hij in het Westen aankwam, gaf hij zijn functie aan de openbaarheid prijs. Hij ging naar een Westberlijner die hij al eens in Oost-Berlijn had ontmoet en biechtte hem alles op. Daarna sprak hij met tientallen andere mensen. "Ik wilde de brug achter me afbreken'.

Zijn stap bleek moeilijker dan hij had gedacht. “Die nacht dacht ik dat ik moest sterven. Ik was ziek, uitgeput. Ik dacht: God, als ik nu niet doodga, schrijf ik alles op.”

Vorm

Zijn grootste probleem bij het schrijven van zijn boek Na een lang rokend zwijgen, waarin hij zijn ervaringen met de Stasi beschrijft, was het vinden van een vorm. “Ik moest voor het beschrijven van een zwart punt in mijn leven een geschikte taal en een goede stijl hebben. Ik wilde er geen non-fictie van maken, maar ik had aanvankelijk de energie niet om wat ik had meegemaakt in een roman om te zetten.”

Dank zij gesprekken met een andere ex-Stasi-medewerker kwam hij twee jaar geleden over het dode punt heen. Voor het blad Die Andere maakten zij een interview dat veel reacties van lezers opriep en vanaf dat moment is er koortsachtig aan het boek gewerkt. In de Duitse versie wordt het nog ingeleid door de interviewer van destijds. Het heeft daar nog de vorm van een uitgewerkt interview.

Heeft Sinakowski er nooit rekening mee gehouden dat de DDR wraak zou kunnen nemen voor zijn loslippigheid? “Ik heb waarschijnlijk verdrongen hoe gevaarlijk het was wat ik deed. Nu weet ik dat ze voetballers hebben gedood. Er zijn aanslagen op geëmigreerde schrijvers gepleegd. Het risico liet me op dat moment waarschijnlijk ook koud. Ik wilde eindelijk leven.”

Het bijzondere aan Na een lang rokend zwijgen is dat het een van de eerste boeken is die de nadruk leggen op de uitgekiende strategie van de Stasi bij het verwerven van informatie. De laatste maanden is in de Bondsrepubliek veel gepubliceerd over de psychologische training van aanstaande Stasi-officieren en hun voorkeur voor tipgevers uit gebroken gezinnen, maar Sinakowski beschreef dit alles al veel eerder en van binnen uit. Hij laat in zijn boek zien dat het DDR-systeem er op uit was persoonlijkheden te deformeren om ze vatbaarder te maken voor de vaderlijke benadering van de Stasi.

Voor Sinakowski is het niet zo belangrijk wat hij precies voor de Stasi deed. Ook zijn boek blijft tamelijk vaag over concrete handelingen. Hij vindt het belangrijker te weten waarom hij het deed. Hoe werkte het? Hoe onderging hij het?

Het hindert hem dat zijn boek voornamelijk op de inhoud wordt beoordeeld. “Mijn boek gaat niet over de Stasi. Het is een roman over een gevoel, een aura. Het is het gevoel dat je geen gevoel hebt. Dat is een internationaal thema. Mijn boek is daarom ook geen typisch Duits boek.”

Sinakowski ziet zichzelf als schrijver en wil ook zo beoordeeld worden. Hij is ervan overtuigd dat hij zonder zijn ervaringen met de Stasi ook zou hebben geschreven. Juist zijn literaire ambitie leidde er toe dat hij uiteindelijk met de Stasi brak. “De Stasi wilde op den duur alles van me. Ze stalen mijn stijl, mijn privacy, mijn privé-domein. In het werk van andere DDR-schrijvers die voor de Stasi werkten, kun je zien hoe hun literaire kwaliteit met de dag minder wordt.

“De Stasi is als een vampier. Zolang je voor hen werkt is er geen aanleiding om te schrijven. Als alles wat je meemaakt in dossiers belandt, heb je niets meer over om op te schrijven. De druk is weg. Het is te vergelijken met iemand die vijftien keer op een dag masturbeert en dan met iemand naar bed gaat. Je kunt als kunstenaar alleen maar bestaan als je in je literaire werk alles kunt schrijven wat je wilt. Zodra er geheimen zijn waarover je niet mag schrijven, is dat de dood voor de literatuur, de dood van de schrijver.”

Op zijn 24ste, zegt Sinakowski, wist hij dat hij moest kiezen tussen spionage of kunst. Hij koos voor de kunst. “Doordat ik wegging, kon ik ook voor de kunst kiezen. Als ik in de DDR was gebleven, was ik waarschijnlijk dood gegaan. Ik wist: nog zes maanden en ik pleeg zelfmoord. In de DDR is zelfmoord geen zelfmoord, omdat het leven ook geen leven is.”

Prenzlauer Berg

Een van de weinige concrete gebeurtenissen in het boek is een bijeenkomst van de Prenzlauer Berg Groep, de groep experimentele dichters die, naar nu bekend is, meer Stasi-informanten in zijn midden had. Sinakowski zegt nooit tot de harde kern van groep te hebben behoord. “Ik ben in 1981 een keer of vier geweest. Daarna nog een keer in 1982. Ze interesseerden me niet. Ik ging voornamelijk naar mensen naar wie ik nieuwsgierig was. De Prenzlauer-Berg-scene was banaal.”

Sinakowski had het gevoel dat hij er als een vreemde werd beschouwd. Hij denkt dat zijn joodse afkomst en zijn homoseksualiteit niet goed vielen. De dichters van de Prenzlauer Berg Groep vergelijkt hij met de Amerikaanse WASP's. “De Prenzlauer Berg is christelijk, Duits, blank, heteroseksueel. Het is een groep die zijn wortels in de Duitse geschiedenis heeft. Zij waren er op uit hun sociale omgeving te negeren. Ze wilden een lovely ghetto creëren.

“Een gesloten land baart een gesloten literatuur. De leden van de Prenzlauer Berg schreven om te schrijven, zonder iets te zeggen. Ze zijn ook nooit echt innovatief geweest. Ze hebben het dadasme uit het begin van deze eeuw als een oud theezakje met opgekookt water overgoten.”

De aandacht die het westen jarenlang aan de groep besteedde wordt door Sinakowski met scepsis bekeken. Hij ziet het als een ongezonde vorm van romantiek. “Voor journalisten was het in de jaren tachtig heel avontuurlijk om 's avonds naar de donkere straten van de Prenzlauer Berg te gaan. Toen ik in 1985 naar het westen was uitgeweken, zei een bekende journalist tegen mij: nu ben je voor ons niet interessant meer. We zijn geïnteresseerd in iemand die een boek schrijft dat niet gepubliceerd kan worden, en die zich daarna in zijn woning ophangt.”

In de progressieve pers kwam daar nog iets anders bij. “Het paste in de ideologie van links om in de DDR iets aan te wijzen waaruit bleek hoe creatief het socialisme kon zijn. De Prenzlauer Berg was een ikoon voor links.”

“De Duitsers hebben na 1945 gedacht dat ze niet hoefden op te draaien voor wat ze in de oorlog hebben gedaan, maar ze betalen er nog iedere dag voor: voor de culturele holocaust. Duitsland was voor de oorlog het grootste immigrantenland. Elke immigrant bracht toen zijn eigen cultuur mee. Die Duitse cultuur is in Auschwitz gestorven. In Duitsland heerst nu de cultuur van de armzaligheid, de esthetiek van het jammeren. Als je alleen al hoort hoe Duitse schrijvers lezen, Grass, Böll, Christa Wolf: die stemmen, dat is zo bloedernstig.” Andreas Sinakowski leest liever Duitse schrijvers die geen last hebben van het Duitse verleden: Thomas Brasch, Irina Liepmann en Katja Lange-Müller. “Niet toevallig zijn de meesten van hen buiten Duitsland geboren. Zij hebben ten minste twee of drie culturen in hun bloed.”

Het optreden bij Adriaan van Dis heeft voor Sinakowski in ieder geval één positief gevolg gehad. “Van Dis heeft me een kant van mezelf laten zien, die ik zelf verdrongen had: mijn masochisme. Een masochist verlangt naar pijn om een andere pijn niet te voelen. Ik zie nu dat ik indertijd de pijn van de Stasi heb aanvaard om niet de pijn te hoeven voelen die het dagelijks leven in de DDR met zich meebracht. Net als andere informanten heb ik de Stasi gebruikt als instrument om zelfmoord te plegen. Wij wilden onszelf opheffen, vernietigen, uitvlakken. Voor velen van ons was de Stasi een drug, nodig om te kunnen slapen.

“Maar net als met drugs moet je weten hoever je kunt gaan, hoe gevaarlijk het is. Eerst neem je drugs, maar dan nemen de drugs jou.”