Bedreigd door de buitenlucht; De normale gekken in de liedjes van David Byrne

Een paar maanden geleden werd de popgroep Talking Heads officieel opgeheven. David Byrne, de belangrijkste Talking Head, was al een paar jaar bezig met een solo-carrière. Op zijn platen wemelt het van onaangepaste figuren - er is geen geest zo ziek of Byrne heeft hem wel beschreven. Maandag is hij te zien op het Pinkpopfestival. “Gelukkig is Byrne zijn swing niet kwijtgeraakt. Ook zonder de Talking Heads maakt hij platen waarop wild gedanst kan worden.”

David Byrne speelt op 8 juni op het Pinkpopfestival in Landgraaf en op 4 juli op het Drum Rhythm festival in Amsterdam. Als in memoriam voor de Talking Heads verschijnt deze maandbij EMI de retrospectieve cd-box Pop Favorites 1976-1991: Sand In The Vaseline.

David Byrne is een opzienbarend man. Vroeger, toen hij deel uitmaakte van de Talking Heads, raakte zijn publiek al niet over hem uitgepraat. Een neuroot was hij, die zijn frustraties uitleefde op het podium; een buitenaardse verschijning die de wereld overviel met bizarre teksten en een gekwelde stem. Maar vóór alles was hij een nonconformist - een "rock 'n' roll intellectual' die zong over zaken waar geen popster over zong, en samen met de Talking Heads vaker van muzikale stijl veranderde dan zijn bewonderaars voor mogelijk hielden. "I been to college, I been to school', waarschuwde Byrne al in 1977 op het openingsnummer van de eerste Talking Heads-lp: "I'm not the people that you read about in books.'

Vijftien jaar later zijn de legendarische Talking Heads officieel uit elkaar en heeft David Byrne een succesvolle solo-carrière opgebouwd. Maar een doorsneefiguur in de popmuziek is hij nog steeds niet. Zijn laatste cd is daarvan een goed bewijs. Uh-Oh, zoals de plaat naar een van Byrnes favoriete stopwoordjes heet, is een wilde mengeling van Noord- en Zuidamerikaanse ritmes die de luisteraar voortdurend op het verkeerde been zet. De twaalf liedjes klinken aanstekelijk, maar laten door de ongewone teksten een beklemmende indruk achter. In "Now I'm Your Mom' - op het eerste gehoor een monter stuk vol Braziliaanse funk - blijkt een transseksueel zijn kind toe te spreken. Zijn cynische woorden tuiten nog na wanneer drie nummers later een moordpartij in een winkelcentrum begeleid wordt door vrolijke salsamuziek, en wanneer de zanger van de sensuele mambo "A Walk In The Dark' zich ontpopt als een gevaarlijke kinderhater.

David Byrne, vorige maand veertig geworden, heeft van onvoorspelbaarheid zijn specialisme gemaakt. Toch is er één ding dat als een rode draad door zijn oeuvre heenloopt: zijn fascinatie voor het afwijkende. Het komt door zijn opvoeding, heeft hij zelf eens gezegd: zijn ouders emigreerden van Schotland naar de Verenigde Staten toen hij twee was. “Als buitenstaanders keken ze op een andere manier tegen Amerika aan, en dat heb ik van ze overgenomen”. Die outsider's view komt misschien het duidelijkst naar voren in de bioscoopfilm die de veelzijdige Byrne in 1986 maakte, True Stories. Hierin rijdt hij, getooid met een reusachtige Stetson, per cabriolet door het fictieve en o zo eigenaardige Texaanse plaatsje Virgil, om de kijker kennis te laten maken met wonderlijke Amerikaanse fenomenen als De Luiste Vrouw Ter Wereld en De Echtelieden Die Al Dertig Jaar Niet Met Elkaar Gepraat Hebben.

Net als zijn geestverwant David Lynch is Byrne op een bijna voyeuristische manier geïnteresseerd in de marges van de Amerikaanse samenleving. En net als in Twin Peaks wemelt het op Byrnes platen van de onaangepaste figuren. Moordenaars, psychopaten, terroristen, achtervolgingswaanzinnigen, onbekommerde gekken - er is geen geest zo ziek of Byrne heeft hem wel beschreven; angstvallig precies, en van binnenuit, want Byrne schrijft het liefst in de eerste persoon enkelvoud. Soms levert dat humoristische portretten op, bijvoorbeeld van de man die zich bedreigd voelt door de buitenlucht, of van de arme sukkel die gelooft dat de dierenwereld tegen hem samenspant. Veel vaker leiden Byrnes gezongen monologen tot een ongemakkelijk gevoel bij de luisteraar. Zijn personages redeneren zó logisch, en zijn zó "normaal' in hun gekte, dat je met ze gaat sympathiseren, hoe ziek hun gedachten ook mogen zijn. Want wie heeft zich per slot van rekening nooit gevoeld als de tureluurse hoofdpersoon van "Memories Can Wait', die voortdurend het gevoel heeft dat zijn hoofd op knappen staat?

There's a party in my mind

and it never stops (-)

Other people can go home

other people they can split

I'll be there all the time

I can never quit

Het kan ook erger. In het angstaanjagendste nummer dat David Byrne ooit componeerde, het vijftien jaar oude "Psycho Killer', komt een gestoorde geest aan het woord die aan moorden niet toekomt maar desondanks onvergetelijk is. Hij is voorkomend, beschaafd, zelfbewust, uitgehold door slapeloosheid, tot het uiterste gespannen, en vooral Heel Erg Eng. Byrne beperkt zich tot de gedachten van deze seriemoordenaar in spe; had hij gewoon diens gruweldaden beschreven, dan was de schok van de tekst niet half zo sterk geweest. De horror zit verborgen in kleine details, in de aaneenschakeling van eigenaardige zinswendingen. Wanneer de ik-figuur onheilspellend in het Frans overgaat (alsof hij de buitenwereld plotseling wil bewijzen hoe erudiet en beheerst hij wel is), zou je het liefst je vingers in je oren stoppen; wanneer hij aan het eind van het lied uitschreeuwt "I hate people who are not polite', besluit je onwillekeurig om verder je hele leven met twee woorden te spreken.

De tekst van "Psycho Killer' is geraffineerd, maar het is de begeleidende muziek van de Talking Heads die het nummer heeft gemaakt tot een van de klassieken van de Newyorkse New Wave. De staccato bas van Tina Weymouth, de droge drum van Chris Frantz, de bevreemdende keyboardklanken van Jerry Harrison en de ingehouden gitaar van Byrne zelf, scheppen een atmosfeer waarin de omineuze tekst nog beter gedijt. De muziek klinkt precies zoals de moordenaar zichzelf beschrijft: "tense and nervous (-) a real live wire'.

Middenklasse

Hoe intrigerend de teksten van David Byrne ook zijn, hij heeft zijn faam in de eerste plaats te danken aan de originele en vernieuwende muziek die hij door de jaren heen op de plaat heeft gezet. Ook daaraan valt zijn voorliefde voor het afwijkende af te meten. Het begon al met de eerste lp van de Talking Heads. Uitgebracht in een tijd dat de Amerikaanse hitparade gedomineerd werd door de ingeslapen rock van groepen als de Eagles, maakte 77 diepe indruk. De Talking Heads speelden vreemde maar melodieuze popsongs en hielden zich verre van pompeuze synthesizergeluiden en lange gitaarsolo's. In hun minimalistische aanpak deden ze denken aan de punkgroepen die op hetzelfde moment in Engeland furore maakten, maar ze misten het nihilistische engagement van de Sex Pistols of The Clash. Byrne, Weymouth en Frantz hadden elkaar ontmoet op de kunstacademie, en schaamden zich niet voor hun middenklasse-achtergrond of hun intellectualisme.

Integendeel. Voor David Byrne en de Talking Heads was een carrière in de rock 'n' roll dé manier om avantgardisme aan een groot publiek te slijten. Over alles was nagedacht: de vervreemdende teksten, de platenhoezen, waarvan er een was gemaakt door Robert Rauschenberg, hun speels-kunstige videoclips, de aankleding van hun concerten, en boven alles de niet-westerse ritmes waarmee ze op hun platen experimenteerden.

De Talking Heads waren de concurrentie altijd een stap voor en ontwikkelden zich binnen korte tijd tot de invloedrijkste rockgroep van de jaren tachtig. Hun vierde album Remain In Light, dat ze in 1980 opnamen met de Engelse producer Brian Eno, kan met recht de Demoiselles d'Avignon van de rock 'n' roll genoemd worden: voor het eerst werden west-Afrikaanse polyritmieën en tribale liedstructuren succesvol versmolten met westerse popmuziek. Vele artiesten zouden het voorbeeld van de Talking Heads volgen; maar toen Paul Simon jaren later veel geld verdiende met zjn Afrikaanse dansplaat Graceland, hadden David Byrne en consorten de Nigeriaanse juju allang weer verruild voor verrassende muzikale invloeden uit andere delen van de wereld.

Of de Talking Heads nu uitgingen van Louisiaanse cajun (zoals op hun toegankelijkste lp Little Creatures) of van Marokkaanse rai (op hun laatste studioplaat Naked uit 1988), hun muziek was altijd dansbaar. Ze stonden bekend als "the thinking person's rock band', maar niemand kon bij hun concerten stil blijven zitten. Sterker nog: zelfs bij de Rotterdamse filmpremière van Stop Making Sense, een concertregistratie van Jonathan Demme uit 1985, stond het bioscooppubliek te dansen in de gangpaden. En de gelijknamige soundtrack behoort tot de opzwependste dansplaten die ik in mijn kast heb staan.

Gelukkig is David Byrne zijn ingehouden swing niet kwijtgeraakt. Ook zonder de Talking Heads maakt hij platen waarop wild gedanst kan worden. En nog steeds is hij een pionier in de onontgonnen territoria van de niet-westerse popmuziek. Rei Momo, zijn eerste soloplaat, bevatte twaalf verschillende obscure Latijnsamerikaanse dansen die hij op een charmante manier verwesterst had. Op Uh-oh maakt hij gebruik van de Braziliaanse ritmes waarop hij de afgelopen jaren zo hard gestudeerd heeft. Als we Byrne mogen geloven, moeten zijn vingeroefeningen leiden tot een "pan-Amerikaans dansalbum' - een popplaat waarop alle etnische muziekgenres van het Amerikaanse continent vertegenwoordigd zijn. Vijfhonderd jaar na Columbus moet Amerika muzikaal ontdekt worden. Want, zegt David Byrne: “This ain't the America of baseball and applepie. This is a new exciting country that doesn't have a name yet.”